”Ik ga knutselen,” iedereen bij ons thuis vroeger begreep dan dat mijn vader of ik de komende uren achter de soldeerbout te vinden waren. Pas later heb ik ontdekt dat de rest van Nederland knutselen helemaal niet met elektronica associeert, maar veel eerder denkt aan fröbelen met papier of iets dergelijks. Het woordenboek geeft voor knutselen als betekenissen: “kleine voorwerpen zelf maken en zelf kleine herstellingen e.d. verrichten.” Beide betekenissen doen mij persoonlijk denken aan die andere term, klussen. In tegenstelling tot klussen is voor mij knutselen onlosmakelijk verbonden met gezelligheid en geborgenheid. Knutselen, of zo men wil met elektronica als hobby bezig zijn, is voor mij altijd een manier geweest om even alles te vergeten en me terug te trekken in een eigen veilige en begrijpelijke wereld. Als ik terug denk aan vroeger, zie ik mijn vader in de tussenkamer zitten prutsen aan een scoopbuisje of in de serre aan een accu-ladertje of herleef ik die fantastische zaterdagochtendbezoeken aan de “rommelwinkel” van van der Meijde in het Zwaanshals. Herinneringen aan een ongelooflijk gelukkige en zorgeloze tijd. Een tijd die gevolgd werd door een veel minder leuke tijd in Moerdijk, waardoor ik de Rotterdam tijd misschien heb “overgeromantiseerd.” Deze pagina is een poging die herinneringen te rangschikken en te ordenen om er een beter grip op te krijgen en het beter in perspectief te kunnen zien.
Waarom al die moeite doen om dat op te schrijven? Eigenlijk weet ik het zelf niet. Wat in ieder geval een rol speelt is mijn bijna ziekelijke hang naar archiveren. Mijn vader was ook een knutselaar, maar helaas weet ik eigenlijk maar heel weinig over wat hij allemaal heeft gedaan. Vroeger interesseerde het me niet, maar naarmate ik ouder word merk ik dat ik steeds nieuwsgieriger word naar mijn wortels. Helaas is het nu te laat om mijn vader er naar te vragen. Ik weet niet of Geert of Daan, mijn zonen, zich later ooit dergelijke vragen zullen stellen, maar mochten zij dat doen, dan ligt er in ieder geval een antwoord in de vorm van dit verhaal.
Dan rest nog de vraag waarom dit alles op het internet moet staan? Ik heb zo’n idee dat het op die manier definitiever is, alsof je het publiceert. En bovendien, er staat al zoveel nonsens op het internet dat dit verhaal daar best nog bij kan.
| to top of page | back to homepage |
Hoewel het aanvankelijk helemaal niet mijn bedoeling was, bleek het toch onvermijdbaar me in de geschiedenis van mijn familie te verdiepen. Tijdens het zoeken in de doos met oude foto’s kwam ik heel veel foto’s tegen die zowel herkenning als vraagtekens op riepen. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk nauwelijks een besef had van de geschiedenis van mijn familie, zowel aan vaders als aan moeders kant. Het was heel leuk om samen met mijn moeder, oom Wim, tante Cor, oom Ies en tante Herma de familiegeschiedenis aan beide kanten een beetje te reconstrueren. Daarbij kwamen veel verhalen en anekdotes naar voren die ik zal proberen te verwerken in dit en volgende hoofdstukjes, omdat ze personages tot leven brengen en als ik ze hier niet opschrijf, ze heel gauw vergeten zijn.
De “familiestamboom” vanuit mijn perspectief. Voor de duidelijkheid: de kolom met portretjes aan de linkerkant zijn allemaal broers en zussen van opa Dekker. De kolom met portretjes aan de rechterkant zijn broers en zussen van oma van den Berg. De drie portretjes op de bodem zijn broers en een zus van opa van den Berg. Zie voor een uitgebreidere stamboom van de Dekker tak van de familie de stamboom gemaakt door Leen Kruit in 1990.
Naast de herinneringen van mijn moeder en dat van oom Wim en tante Cor, heb ik ook veel gegevens gevonden in de site van het Rotterdamse gemeentearchief en de site van genlias. Via deze sites ben ik in de Dekker-tak terug kunnen gaan tot Gerrit Dekker geboren 1798. Het oudste ducument dat ik heb kunnen vinden is de geboorteaangifte van Leendert Dekker, de zoon van Gerrit in 1833. Het is schitterend dat zo’n document gewoon via internet is aan te vragen. De aangifte vermeldt “arbeider” als beroep en de aangifte is getekend door de gemeenteambtenaar en de getuigen omdat Gerrit niet kan schrijven. Zie voor een uitgebreidere stamboom van de Dekker tak van de familie de stamboom gemaakt door Leen Kruit in 1990.
Het is jammer dat geboorteakten pas na 100 jaar openbaar worden gemaakt. Hierdoor heb ik van de wat “jongere” tantes en ooms de volledige namen en exacte geboorte datums niet kunnen achterhalen. Voor huwelijksakten geld overigens een embargo van 75 en voor overlijdensakten van 50 jaar.
De gehele geschiedenis van de Dekker-tak speelt zich, voor zover ik heb kunnen nagaan, af in Kralingen. De Bakker-tak is afkomstig uit Noord Holland (Amsterdam en de Zaanstreek). Aan mijn moeders kant zit aan oma’s kant bloed uit Zeeland (Zierikzee). De naam Looren de Jong is heel bijzonder en blijkt zich bij het zoeken in Genlias te concentreren rond de plaatsen Amerstol en Bergambacht. Opa van den Berg was eigenlijk een heel saaie man, maar tot mijn verrassing blijkt zijn familiegeschiedenis onverwacht kleurrijk. En liggen de wortels van zijn familie in Zweden en Indonesie. Meer daarover in het hoofdstuk St. Agathastraat 35a.
| to top of page | back to homepage |
Adriaan Dekker en Cornelia Johanna de Mik trouwden op 14 oktober 1897. Het stel, waarvan in ieder geval Adriaan Dekker zwaar gereformeerd is, krijgt acht kinderen: Neeltje, Nel, Bram, Bart, Marie, Lena, Annie en Leendert Gerrit, mijn opa, die werd geboren op 30 april 1900. Op 15 oktober 1917, op zeventienjarige leeftijd, treedt Leen in dienst van het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf, het G.E.B., als leerling op de tekenkamer. In de avonduren volgt hij een opleiding bij de avond-academie, en op 15 augustus 1921 treedt hij in dienst bij het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf van Rotterdam als assistent-tekenaar (klasse 3) voor een jaarwedde van 1900 gulden, wat in waarde overeenkomt met 10.500 euro vandaag de dag. Na zijn proeftijd van een jaar krijgt hij een vaste betrekking en nu hij een vast salaris ontvangt en een vrouw en kinderen kan onderhouden, treedt hij op 27 augustus 1924 in het huwelijk met de één jaar jongere Margje Bakker. s’Avonds is er een feestavond die gehouden wordt in “Huize Kievid,” Lange Warande 23, niet ver van de Marktveldstraat, waar het stel een etage betrekt. Het spreekt vanzelf dat de ouders van Leendert bij zo’n zondige aangelegenheid niet aanwezig waren! In de Marktveldstraat wordt op 9 Mei 1927 Aad en twee jaar later op 6 Juni 1929 Herma geboren.
Figure xx. Het gezin dekker rond 1934. Klik hier of op de foto voor een grotere versie.
Het gezin woont korte tijd op de Spiegelnisserkade. Daar ligt één van de vroegste jeugdherinneringen van mijn vader. Op een goede dag komt de graf Zepplin overvliegen. De hele straat loopt uit en het maakt een
onvergeteijke indruk op de jonge Aad, want iedere keer als we later langs de Spiegelnisserkade komen, vertelt hij me dit verhaal. Na korte tijd verhuist het gezin alweer. Als Opa Dekker promotie heeft gemaakt en opzichter is geworden bij de buitendienst van het kabelnet, kan het gezin zich een ruimere benedenverdieping in een nieuwbouwpand op Boezemlaan 9b veroorloven. Zijn persoonskaart vermeldt als zijn beroep “Technisch Hoofdambtenaar A van het G.E.B.”
Op 25 December 1932 wordt Cor geboren en wordt de benedenverdieping verruild voor de iets ruimere bovenetage op 9a. Het gezin had het niet slecht en heeft als een van de weinigen in Rotterdam al ver voor de oorlog een radio. Ook haalt opa Dekker al ver voor de oorlog zijn rijbewijs. Ik heb nog steeds zijn
lesboekje uit 1937.
Verder hebben ze een telefoon, iets wat ook niet iedereen in die tijd had. Buiten zijn
drukke baan die veel onregelmatige diensten met zich meebrengt, is opa zeer actief in het kerkelijk leven. Een korte annonce in de krant n.a.v. zijn veertig jarig jubileum in 1961 (een jaar voor zijn dood) vermeldt dat hij lid is geweest van de commissie van beheer, de wezencommissie en de kerkmeesters. De jaatste jaren van zijn leven is hij ouderling geweest en heeft hij volgens mijn vader een grote rol gespeeld in de totstandkoming van de
Oosterkerk. In 1944, alsof de oorlog nog niet voor genoeg problemen zorgde, splitsen de Gereformeerd
Vrijgemaakten (artikel 31’ers) zich af van de Gereformeerde Kerk. Mijn vader had het er later nog regelmatig over hoe opa Dekker regelmatig oververhit terugkwam van de discussies in de kerkenraadsvergaderingen. Voor al zijn kerkelijke activiteiten ontvangt hij uiteindelijk de Ridderorde. Het gevolg was wel dat hij nooit thuis was. Mijn moeder zei altijd dat hij zo vaak weg was om oma Dekker te ontlopen. Dat was geen gemakkelijke vrouw. Ze was koppig en als het haar niet beviel zei ze dagen achtereen geen woord, een echt Dekker trekje. Mijn vader heeft eens zes weken niets gezegd omdat mijn moeder van Victor Buis, de uitbater van de fietsenstalling in Lage Zwaluwe en niet helemaal goed bij zijn hoofd, een zoen had gehad! Diezelfde Victor Buis is trouwens later op prachtige wijze geportretteerd in een leuk verhaal van J.A.M Biesheuvel.
Mijn vader had weinig vrienden en was erg op zichzelf. Hij had wel een eigen willetje. Toen hij een jaar of 5 à 6 was, was het voor jongens in die tijd in de mode om een matrozenpakje te dragen. De kleine Aad had daar absoluut geen zin in, maar je had in die tijd niet veel te vertellen, en het pakje werd toch onder luid protest gekocht. Z’n moeder heeft het diezelfde week nog kunnen terug brengen naar Peek en Cloppenburg. Van diezelfde Peek en Cloppenburg kreeg hij een maandblad voor jonge onderzoekers. Daar stond een prijsvraag in waar hij de hoofdprijs voor won. Hij was er ape-trots op! Mijn vader heeft denk ik zijn vader veel gemist en van zijn moeder kreeg hij niet de liefde waar hij zo’n behoefte aan had. Althans dat heeft hij later in zijn leven diverse keren aangegeven. Als opa iets samen met mijn vader aan het knutselen was, kwam het nooit af, omdat opa nooit thuis was. Aanvankelijk bezoeken zowel mijn vader als Herma de Koningin Wilhelminaschool aan de Crooswijksesingel. Tante Herma herinnert zich hier nog een vreemde gebeurtenis: ‘op een gegeven moment ging de deur van de klas open en daar stond het hoofd de school, dhr Luhrman, en onze vader. We moesten meekomen en gingen van school af naar een andere school, de Keucheniusschool in de Zomerhofstraat. Ik heb nooit geweten waarom, dat werd niet verteld.’
Figure xx. De Wilhelminaschool aan de Goudesesingel waar zowel mijn vader als Herma enkele jaren op hebben gezeten.
Mijn vader staat op de tweede rij van achteren links naast de juf.
Klik hier of op de foto voor een grotere versie.
Als de oorlog uitbreekt is mijn vader dertien jaar. Hij zit dan al op de ambachtschool. Of hij die door de oorlog heeft kunnen afmaken, betwijfel ik. Mijn vader heeft het later vaak over de oorlog, die hij als verschrikkelijk heeft ervaren. Affiniteit met radio en elektrotechniek was bij de familie Dekker al vroeg aanwezig. Er is
een oude foto, genomen in het huis van mijn overgrootvader Adrianus Dekker, waarop mijn vader een jaar of vijf is en waarop te zien is dat mijn overgrootvader al rond 1932 in het bezit was van een radio. Ik heb een boek getiteld
“Radio voor Amateurs” dat waarschijnlijk van opa Dekker is geweest die het vermoedelijk heeft gebruikt voor de bouw van zijn radio. Voor in het boek staat een handtekening A. Dekker. Omdat deze handtekening helemaal niet op die van mijn vader lijkt heb ik altijd gedacht dat mijn vader als kind zijn naam in het boek heeft geschreven. Onlangs viel me echter op dat de handtekening heel erg lijkt op de handtekening van mijn overgrootvader die immers ook A. Dekker heette. Als dat zo is dan is het boek ook nog van mijn overgrootvader geweest en ben ik de vierde generatie elektronica-knutselaar in onze familie.
Figure xx. Dit is het enige artefact van mijn overgrootvader (Adrianus Dekker) dat ik heb, zijn tabaksdoos. De handtekening op de doos
lijkt heel erg op een handtekening die in het boek “Radio voor Amateurs” staat dat al sinds mensenheugenis in ons bezit is.
De radio die opa Dekker had gebouwd moet een zogenaamde regeneratieve ontvanger zijn geweest, want tante Herma weet nog dat op een zondag mijn vader en zijn moeder naar de kerk waren, Cor lag te slapen en hoe opa Dekker eindeloos bezig was de radio af te stellen voor een goede ontvangst zonder dat het toestel onheilspellend ging huilen (Mexicaanse hond). Toen uiteindelijk de radio goed was afgesteld en de dominee luid en duidelijk uit de luidspreker klonk zijn zowel zij als haar vader in slaap gevallen zodat ze van de preek niets gehoord hebben.
Ook oom Jo Berlijn, de man van tante Lena, een zus van opa Dekker, was blijkbaar geïnteresseerd in radio’s. Als we bij dit alles dan ook nog optellen dat opa Dekker bij het gemeentelijk energiebedrijf werkte en af en toe voor mijn vader een stuk kabel en soms zelf een hele elektriciteitsmeter meenam, dan kunnen we wel stellen dat bij mijn vader de interesse voor elektrotechniek met de paplepel is bij gebracht. Cor herinnert zich dat mijn vader tijdens de oorlog vele uren doorbrengt met bovenbuurjongen Wim van Es. Op zolder knutselen ze wat af, maar als er alarm is – de Duitsers hielden van tijd tot tijd razzia’s op zoek naar jonge mannen voor de te werkstelling of het leger – moeten ze zich in de kruipruimte onder het huis verbergen.
Figure xx. Links: voor de oorlog bezoekt mijn vader de
ambachtschool. Rechts: na de oorlog is hij, tot hij in 1947
wordt opgeroepen voor militaire dienst, kort werkzaam als
assistent-amanuensis op de Libanon H.B.S. in Kralingen.
Ook de hongerwinter gaat niet aan de familie Dekker voorbij. De foto van mijn vader na de oorlog laat duidelijk zien dat er vergeleken met het begin van de oorlog de nodige kilos af zijn. Later vertelde mijn vader mij geregeld hoe zijn vader er op een keer op uittrok om eten te zoeken voor het gezin, en na enkele dagen lopen met één brood thuis kwam. Opa
Dekker is tijdens de oorlog actief in het verzet. Op een avond is er een bijeenkomst in een huis van één van de verzetslieden aan de
Soetendaalseweg. Hierbij zijn naast opa o.a. zijn broer Bram, de man van zijn zus Lena, Joh Berlijn en ene Kranenburg aanwezig. Opa Dekker is te laat omdat hij het pontje over de Rotte achter het kerkhof heeft gemist. Als hij op de afgesproken plaats aankomt, blijkt dat iemand hen verraden heeft. Kranenburg wordt onmiddellijk op het Hofplein gefusilleerd. Oom Joh Berlijn wordt enige tijd vastgehouden in de politiegevangenis Haagscheveer in Rotterdam. Daar schrijft hij nog een brief aan zijn familie die door de Duitsers wordt gecensureerd.
Uiteindelijk wordt ook hij gefusilleerd, zij het in Vught.
Zulke ervaringen maken uiteraard een grote indruk op mijn vader.
Toch zijn er ook leuke verhalen uit de oorlog. Zoals bekend moest iedereen zijn radio inleveren in ruil voor een waardeloos reçu, om te voorkomen dat men luisterde naar de uitzendingen van de geallieerden. Net zoals zoveel mensen leverde opa alleen een lege kast in. Het binnenwerk
van de radio werd in het harmonium (elk rechtschapen gezin had een harmonium) verstopt. De kinderen wisten dat pas later, want om te voorkomen dat ze hun mond voorbij zouden praten, werd de verstopplaats uiteraard geheim gehouden. Tegen het eind van de oorlog was er vaak helemaal geen elektriciteit en zat menig gezin ‘s avonds bij een kaars of zelfs in het donker. Bij opa werkte de telefoon echter nog omdat hij als opzichter bij de buitendienst van het kabelnet op ongeregelde uren bereikbaar moest zijn. Nu had opa ontdekt dat er, als de telefoon niet gebruikt werd, een gelijkspanning op de telefoonaansluiting stond. Die gelijkspanning gebruikte hij om overdag een kleine loodaccu op te laden, zodat er ’s avonds een klein fietslampje op kon branden. De buren hadden een speciale fiets om ‘s avonds met de dynamo wat elektriciteit voor een klein lampje te kunnen opwekken. Mijn vader ging er als het donker was vaak naar toe en trapte dan een paar uur voor een paar sigaretten. Toen het moeilijk werd om aan anode batterijen te komen werd er geluisterd naar de kristalontvanger van mijn vader. Het signaal was soms zo sterk dat zelfs de hoog ohmige schelp-luidspreker kon worden gebruikt. Tante Herma herinnert zich nog hoe mijn vader als eerste op zijn kristalontvanger hoorde van de bevrijding. Het nieuws deed als een lopend vuurtje de ronde! In een uitbarsting van feestvreugde verwijderde iedereen de zwarte vellen verduisteringspapier van de ruiten en wierp die in de tuin, waar er zo’n groot vreugdevuur van werd gemaakt dat het op het Noordplein zichtbaar was.
Figure xx. In dienst werd mijn vader marconist bij de luchtmacht. Ik denk niet dat hij ooit gevlogen heeft,
waren dit soms foto’s gemaakt om indruk te maken op mijn moeder me wie hij toen net verkering had?
Uit al deze verhalen blijkt wel dat ook opa een echte prutser was. Het was ook een enorm secure man. Ik heb een kist die hij ooit heeft gemaakt
om er zijn dia-projector in te bewaren. Het is een ongelofelijk mooi stukje timmerwerk met schitterende zwaluwstaartverbindingen. Daar herken ik dan toch weer veel van mijzelf in.
Fotografie was ook een hobby van hem. Hij had een volledig uitgeruste donkere kamer uitrusting voor zwart-wit fotografie. Ook zijn er nog heel veel dia’s van hem en had hij apparatuur om zelf dia’s in te ramen.
Direct na de oorlog krijgt mijn vader een baantje als assistent amanuensis van de Libanon H.B.S. in Kralingen waar hij veel plezier in heeft. Waarschijnlijk doet hij hier zijn interesse voor scheikunde op. In
deze periode heeft hij korte tijd verkering met Beb Bollekamp, een meisje dat in de Insulindelaan woont en die hij kent van de kerk. Dan leert hij mijn moeder kennen. Mijn moeder woonde in de St Agathastraat op nummer 35a. Op nummer 39 woont Ies Koole. Ies Koole en Herma kenden elkaar van de noodcommissie van de kerk. De noodcommissie probeerde tijdens de oorlog daar waar dat kon enigszins de nood te ledigen. Na de oorlog is er een soort reünie en kort daarna krijgen Ies en Herma verkering. Via Ies en Herma leert mijn vader mijn moeder kennen, en in 1946 krijgen ze verkering. Dan komt er aan deze periode van relatief geluk, waarin hij wat kon bijkomen van de spanningen van de oorlog, een abrupt einde als hij in mei 1947 wordt opgeroepen voor
militaire dienst, die in die tijd drie jaar duurde! Mijn vader kennende kan hij zijn diensttijd niet als leuk hebben ervaren. Toch is het voor hem wel een mogelijkheid geweest om verlost te zijn van een huishouden waar hij vrijwel continue met drie vrouwen zit opgescheept. In lijn met zijn interesse krijgt hij
een opleiding tot marconist en komt hij terecht bij de luchtmacht. Als mijn vader thuis komt met verlof is er maar weinig tijd voor mijn moeder. Hij gaat vrijwel direct door naar zijn kamertje om te knutselen terwijl mijn moeder bij haar aanstaande schoonfamilie kan zitten. Tante Cor herinnert zich nog hoe ze van mijn vader opdracht kreeg om op weg naar school, onderdelen te kopen in de rommelwinkel van Seipe in het Zwaanshals. In deze tijd moet hij ook het boekje van “Handige Bob” hebben gekocht want dat verscheen in april 1949. Het is een beeldroman waarin de hoofdpersoon, een kristalontvanger bouwt en daar een avontuur mee beleeft. Het feit dat hij zijn geld aan zo’n duur boekje uitgaf geeft aan
dat mijn vader een in die tijd nog steeds een nogal kinderlijke (of romantische?) belevingswereld moet hebben gehad. Niet dat daar iets mis mee is trouwens.
Figure xx. links: mijn moeder op de stoep van de St Agathastraat Februari 1946. Klik hier voor een grotere versie. Midden: waarschijnlijk op dezelfde dag mijn vader, moeder, Ies en Herma. Ze hebben hier elkaar pas leren kennen. Klik hier voor een grotere versie. Rechts: mijn vader op verlof van dienst, zomer 1947.
| to top of page | back to homepage |
Stephanus Hugo (“Huug”) van den Berg, of opa van den Berg zoals wij hem als kinderen noemden, was eigenlijk een redelijk kleurloze man. Dat neemt niet weg dat het een goed mens was, die voor mijn moeder een heel lieve vader is geweest en voor mijn oma een prima echtgenoot. Opa was met weinig tevreden: zijn pakje shag, zijn tabaksdoosje met vloeitjes en af en toe een borreltje. Net als de meeste broers van oma van den Berg had ook opa van den Berg enige tijd gevaren op de grote vaart, volgens Ireen op de Holland-Amerika lijn. Daar had hij goed voor zichzelf leren zorgen. Als oma eens niet lekker was – en dat kwam met haar hart nog wel eens voor – zorgde opa voor de warme maaltijd, iets wat niet vanzelfsprekend was in die dagen. Opa was, zoals zijn persoonskaart vermeld, portier bij sociale zaken. Volgens mijn moeder een ideale baan voor hem, want zo kon hij met iedereen een praatje maken, iets waar hij heel erg van hield. Mijn moeder kan nu nog geamuseerd het verhaal vertellen hoe opa tijdens de hongerwinter in de tweede wereldoorlog, toen iedereen het koud had omdat er niets was om te stoken, met verbrande broekspijpen thuis kwam omdat hij in de portiersloge te dicht op het kacheltje had gezeten.
Figure xx. Links, Gusta Johanna Anderzon, de moeder van opa van den Berg.
Rechts, opa met zijn tweelingbroer Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk en de baboe.
Klik hier of op de foto voor een uitvergroting..
Zo saai als opa zelf was, zo fascinerend is zijn familiegeschiedenis. Dat begint al met het portret van zijn moeder. Het is een intrigerende foto die een wat gedistingeerde, licht loensende vrouw toont, met een Mona Lisa achtige glimlach en een lichtval die aan de meesters uit de gouden eeuw van onze schilderkunst doet denken. Haar naam is Gusta Johanna Anderzon en ze is geboren in 1871, het jaar dat Dickens overleed. Haar vader was Gustav Hugo Laurentius Anderzon die in Carlston Zweden is geboren en in 1864 met Jannetje Pons in Nederland trouwt. Uit het trouwboekje van Opa en Oma van den Berg weet ik dat Gusta met ene Jan van den Berg is getrouwd, maar via de Nederlandse internetbronnen heb ik daar helemaal niets van terug kunnen vinden. Wat wel duidelijk is, is dat de oudste kinderen van Gusta en Jan in Soerabaia Indonesië zijn geboren. Dit leidt dan tot de veronderstelling dat Gusta en Jan ook in Indonesië zijn getrouwd, wat dan ook weer verklaart waarom er niets in de Nederlandse bronnen is terug te vinden. Van Jan van den Berg weet ik behalve zijn naam dan ook verder niets. Ook mijn moeder heeft aan zowel Gusta als Jan geen enkele herinnering.
Op een gegeven moment keert de familie terug naar Nederland. Op 21 april 1899 worden opa en zijn tweelingbroer Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk (!) geboren te Rotterdam. De baboe is mee gekomen naar Nederland en verzorgt de beide jongens. Het gezin kan dus niet onbemiddeld zijn geweest. De oudste zoon van Gusta, dus
opa’s oudste broer Jan Gustaaf, die om een of andere vreemde reden oom Cor wordt genoemd, blijft in Indonesië. Tijdens de tweede wereldoorlog is er geen contact meer met hem, en na de oorlog wordt er nooit meer iets van hem vernomen en wordt aangenomen dat hij is omgekomen. Het verhaal gaat dat oom Cor geld op een Zwitserse bankrekening had staan, waar dus ook nooit meer iets van terug is gevonden.
Tante Jeanette heeft een chique winkel in fijne lederen handschoenen en accessoires. Al met al was het dus wel een familie van enige allure en misschien was het dit wat opa tot een aantrekkelijke partij maakte voor mijn oma. Opa was zeker iemand die er altijd tot in de puntjes verzorgd uitzag als hij er op uitging.
Figure xx. Een gedeelte van het gezin Looren de Jong. Van Links naar rechts, oom Arie, tante Wil (kleine zus),
tante Jannetje (grote zus)met dochter, opoe Looren de Jong en opa (Arie) Looren de Jong.
Oma van den Berg kwam ook uit een, op zijn zachtst gezegd, markant gezin. Haar vader, Arie Looren de Jong, werkt in de haven op een sleepboot. Ook oma’s broers Willem en Arie werken op het water. Oom Willem is sleepbootkapitein en komt ‘s avonds vaak teut thuis nadat hij na het werk met z’n maten een borreltje is gaan drinken. Oom Arie is kapitein op de grote vaart. Oma wordt als middelste van vijf zussen geboren op 22 december 1899 en wordt naar haar vader en haar moeder vernoemd, Adriana van den Berg. Oma’s moeder,
Adriana van Burgh heeft haar wortels liggen in Zeeland, met name in Zierikzee en Ouwerkerk. Als je naar een foto van haar kijkt zie je aan het ongemakkelijke gezicht al dat opoe Looren de Jong, zoals ze wordt genoemd, geen makkelijke vrouw is. Oma van den Berg is in het gezin altijd de zondebok, en als er kattekwaad wordt uitgehaald krijgt oma er van langs. Ze vertelde eens dat er thuis werklieden in de gang de vloer hadden opengehaald om aan de leidingen te werken. Een paar van de zussen waren voor de grap in de slaapkamer op de kast geklommen, om door een hoog raampje vanuit de slaapkamer naar de mannen in de gang te kijken. In die oude huizen had je vreemd genoeg vaak piepkleine raampjes die heel hoog in de muur waren aangebracht tussen bijvoorbeeld een slaapkamer en de gang. Ik denk om ’s nachts wat ventilatie mogelijk te maken in zo’n slaapkamer zonder ramen. Voor de grap had één van de zussen, ik meen Wil, de beste hoed van moeder op gezet. Uiteraard liep het mis en verdween de hoed in de diepte in de gang en kreeg oma de schuld, waarbij er duchtig op los werd geslagen. Van de jeugdjaren van oma weet ik alleen dat ze al vrij jong in betrekking gaat, ‘Een klein meisje met te strakke staartjes die op de bok van de wagen zat,’ zo heb ik haar zichzelf eens horen omschrijven.
Figure xx. Trouwfoto van opa en oma van den Berg, 13 april 1927
Om een of andere reden zijn de zussen van oma mannenverslinders. Haar zus Elisabeth die wij tante Bets noemen is maar liefst zeven keer getrouwd geweest, waarbij als verzachtende omstandigheid moet worden aangevoerd dat drie mannen “gewoon” zijn overleden (nu ik dit zo typ vind ik er dat
eigenlijk toch wel veel!). Veel van de mannen zaten in de vaart en het is logisch te veronderstellen dat het ongeregelde leven dat dit met zich meebracht een belangrijke reden is geweest voor de andere scheidingen. Ook haar
oudste zus Jannetje “liep van man naar man” volgens mijn moeder.
Tante Jo (Jannetje) wordt in de familie van mijn oma ook wel Grote Zus genoemd. Tante Wil is Kleine Zus, hoewel tante Lien Jonger is. Tante Lien staat met stoffen op de markt en als we op de markt waren, liepen we altijd even bij haar langs en speelden dan onder of achter de kraam.
Ook oma van den Berg was voor dat ze met opa trouwde al eerder getrouwd geweest. Op 24 november 1920 trouwt ze in Rotterdam met haar eerste echtgenoot, George Cesar Alexandre Camille van der Wagt - of GCAC zoals hij later door de familie van zijn zoon zou worden genoemd - die op 27 oktober 1890 in Rotterdam werd geboren. Zijn moeder, Catharina Campbell, zou volgens de overlevering familie zijn van de Engelse autocoureur Campbell. Zijn vader, Wijnand Corstiaan, is zadelmaker en mishandelt zijn vrouw. Op twaalfjarige leeftijd neemt GCAC het voor zijn moeder op als zijn vader weer eens in een kwade bui thuiskomt. Boven aan de trap staand met een pan kokend water dreigt hij die over zijn vader heen te gooien als deze zijn moeder weer wil lastig vallen. Zijn vader verlaat dan het huis om nooit meer terug te komen. Vanaf dat moment staat GCAC er met zijn moeder en twee zussen alleen voor.
Hoe oma en GCAC elkaar hebben leren kennen is onbekend, maar het huwelijk is “een moetje.” Amper vier maanden later, op 4 april 1921, wordt oma’s eerste kind geboren: George van der Wagt. Het huwelijk met GCAC houdt geen stand. Zowel GCAC als oma zijn nogal flamboyante persoonlijkheden en achteraf speculerend lijkt dit geen goede basis voor een evenwichtig huwelijk te zijn geweest. Bovendien is GCAC een echte vrouwenjager die gedurende zijn leven tussen de vijftig en honderd vrouwen “heeft gekend.” Alhoewel er geen aanwijzingen zijn dat dit laatste een rol heeft gespeeld bij het stranden van het huwelijk, zal het ook zeker niet geholpen hebben. Op 10 mei 1926 wordt het huwelijk ontbonden. Hun zoon George wordt aanvankelijk aan zijn moeder toegewezen. Ondanks dat de band met zijn moeder goed is, wil de vijf jarige George persé bij zijn vader blijven. Oma respecteert de wens van de jongen, en George en zijn vader nemen hun intrek bij een hospita.
Figure xx. links, George, GCAC en zijn kleinkinderen Ivar en Rosana rond 1965. Rechts, een portret van GCAC op 57 jarige leeftijd getekend door zijn zijn zoon George. Na zijn scheiding met oma, werkt GCAC als kelner en bezit hij zelf een cafe. Hij overlijdt op 14 mei 1975 op 85 jarige leeftijd in Haarlem.
Binnen een jaar hertrouwen zowel oma als GCAC Op 13 april 1927 trouwt oma met Hugo van den Berg en na kort in één van de havens te hebben gewoond, betrekken ze op 12 december 1928 de woning op St. Agathastraat 35a. Hoe zij elkaar hebben leren kennen is onbekend. GCAC trouwt op 12 januari 1927 met Johanna Carolina Wever, een goede vriendin van oma, waarna ze geruime tijd in de Bloklandstraat in Rotterdam wonen, praktisch om de hoek van de St. Agathstraat. De band met zijn echte moeder blijft goed, al ontstaan er soms vreemde situaties, die George behoorlijk in verwarring kunnen brengen. Op een gegeven moment wordt hij van school gehaald door zowel zijn echte moeder, als zijn tweede moeder. George weet zich geen houding te geven en speelt maar wat met een hondje. Tot aan zijn pubertijd blijft George zijn moeder regelmatig bezoeken. Hij krijgt van haar altijd veel cadeaus en geld toegestopt. Wanneer hij in zijn pubertijd komt zit hem dat niet lekker. George, die altijd heel eerlijk tegenover zichzelf en anderen is geweest, realiseert zich dat hij zijn moeder alleen voor het geld en de cadeaus bezoekt. Dat wil hij niet, en zo verwatert langzaam het contact met zijn moeder. Hoewel haar dat ongetwijfeld veel verdriet moet hebben gedaan, respecteert ze zijn besluit.
Figure xx. Twee foto’s van George van der Wagt op latere leeftijd. De gelijkenis met zijn halfzus, mijn moeder, is bijna beangstigend.
George volgt na zijn lagere schooltijd een opleiding tot instrumentmaker. De jeugdfoto links boven is genomen op 26 jarige leeftijd en stamt uit die tijd. Op een zeker moment ziet hij, vermoedelijk in het museum voor oudheidkunde in Leiden, een beeld van een farao. Hij realiseert zich dan dat dat het is wat hij eigenlijk wil doen, beelden maken. Die fascinatie voor beelden heeft hij van zijn moeder. Ook haar dochter zal later die passie voor beelden erven. George volgt in de avonduren een opleiding tot beeldhouwer aan de Rotterdamse Academie. In de oorlog wordt hij door de Duitsers afgevoerd om in Duitsland te werk te worden gesteld. Hij weet te ontvluchten, en meer dood dan levend wordt hij door een Duits boeren gezin opgenomen die hem verzorgen. Na de oorlog vervolgt hij zijn opleiding aan de Rijksacademie in Amsterdam waar hij zijn vrouw, Isa van der Zee leert kennen. George gaat in de leer bij o.a. Escher en Rädecker. Deze laatste is als een tweede vader voor hem en samen realiseren ze het Nationaal Monument op de Dam. Isa en George krijgen twee kinderen, Ivar en Rosana. George is geen uitbundig mens. Uit de verhalen komt hij over als een ingetogen, gedisciplineerd en eerlijk mens die geniet van de tijd met zijn gezin en graag boeken over filosofie leest. Over vroeger praat hij niet veel, ‘familie is niet belangrijk,’ zei hij altijd. Gedurende vele tientallen jaren woont het gezin in een bovenwoning in de Swammerdamstraat waar Isa op zolder een atelier heeft. Vanuit de Swammerdamstraat wandelt George iedere dag naar zijn atelier in de Wiboudstraat. In 2000 krijgt George een lichte hersenbloeding waardoor het voor hem onmogelijk wordt om te beeldhouwen. Met veel doorzettingsvermogen wijdt hij zich vervolgens aan het schilderen. In 2007 wordt George nogmaals getroffen door een hersenbloeding. Een week later overlijdt hij.
Figure xx. Detail uit het
Trouwboekje van opa en oma van den Berg dat laat zien hoe oma
geprobeerd heeft de naam van haar eerste man - George Cesar Alexandre Camille van der Wagt - door te strepen.
Na de oorlog vindt er een vreemd incident plaats. Als George op een zekere dag in de buurt van de St. Agathastraat moet zijn, besluit hij langs het huis van zijn moeder te wandelen. George heeft dan al meer dan tien jaar zijn moeder niet gezien. Als hij langs het huis van zijn moeder loopt gaat de deur open en klopt die een stofdoek uit. Volgens George kijken ze elkaar een moment aan, waarna oma de deur sluit en George doorloopt. Een vreemd verhaal! Waarom hebben ze elkaar niet aangesproken? Trots, onzekerheid, twijfel of wisten ze geen van beiden raad met de situatie? We zullen het nooit weten. Wat zeker is, is dat oma met een balpen (en dus na de oorlog) ruw, in een vlaag van woede of verdriet, de naam van haar eerste echtgenoot in haar trouwboekje heeft doorgekrast. Was dit soms de aanleiding? George komt daarna nooit meer ter spraken en ook mijn moeder begint er nooit over uit angst mijn oma te kwetsen. Het gemis aan haar zoon wordt voor een gedeelte gecompenseerd wanneer in 1931, net voor of na de geboorte van mijn moeder, Wout, de jongste broer van opa, bij opa en oma komt inwonen. Wout woonde tot dan toe bij zijn moeder, Gusta Anderzon. Als die rond zijn zestiende jaar komt te overlijden, mag Wout kiezen bij wie hij gaat wonen en geeft hij de voorkeur aan mijn opa en oma in de St. Agathastraat.
Figure xx. links, oom Wout op het trapje van de tuin in de St Agathstraat. Rechts, opa van den Berg met dochter Sjaan in de tuin.
Voor mijn moeder die op 3 juli 1931 wordt geboren, is hij een soort oudere broer. Het wordt wel een beetje krap in de St. Agathastraat. Oom Wout slaapt in de voorkamer en mijn moeder slaapt op een opklapbed bij haar ouders in hun slaapkamer, wat een tussenkamer zonder ramen was. Tijdens de oorlog wil oma niet dat Wout in de voorkamer slaapt vanwege het gevaar voor bommen en krijgt Wout het opklapbed in de tussenkamer en slaapt mijn moeder op een matras op de grond. Hij krijgt een leuke baan bij Unilever en nadat hij in de oorlog trouwt, verlaat hij het huis. Er is daarna nog maar heel minimaal contact met hem, omdat zijn vrouw en oma het niet goed met elkaar kunnen vinden. Mijn moeder blijft enig kind en wordt wel verwend, maar niet verpest. Op zes jarige leeftijd gaat mijn moeder naar de “openbare school voor gewoon lager onderwijs No. 190” Eerst in de Ackersdijkstraat, vlak bij de Rodenrijselaan waar ik ooit nog gymnastiekles heb gehad. Vanaf de derde klas is de school gevestigd in de Meidoornstraat vlak bij de kruising van de Zaagmolenstraat en de Pijnackerstraat. Het is dan het schooljaar 1939/1940 en vermoedelijk heeft de verhuizing te maken met het uitbreken van de oorlog. Ze had goede, maar zeker geen uitmuntende cijfers.
Figure xx. links: als enig kind wordt mijn moeder flink verwend, niet ieder kind had voor de oorlog al een fiets!
Rechts: mijn moeder op de ULO.
Ook voor mijn moeder is de oorlog een vervelende tijd. Een eindje verderop in de straat valt een bom, waarbij enkele huizen worden verwoest en veel doden vallen. Aan het begin van de oorlog komt Wout thuis met een kist vol stukken Sunlight zeep. Dat is gedurende de hele oorlog oma’s grootste schat. Zeep is moeilijk te krijgen en veel mensen willen andere schaarse goederen ruilen voor een stukje zeep. Oma is er heel zuinig op en het kistje zeep gaat de hele oorlog mee. In de hongerwinter wordt mijn moeder ondergebracht bij een gastgezin, een bakker, in Bijlen (Drenthe). Die periode duurt maar enkele maanden en na afloop van de oorlog viert ze er de bevrijding met de dochters van een boer in de buurt (Fig. xx). Na de lagere school bezoekt mijn moeder de ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs), de voorloper van de MAVO. Na de ULO krijgt ze op 1 september 1947 via oom Wout een baantje op de administratie van het
hoofdkantoor van Lever’s Zeep-Maatschappij N.V. (Unilever) aan het Museumpark 1 in Rotterdam West. Daar werkt ze met heel veel plezier op de afdeling omzetkaarten. In die tijd was het gebruikelijk dat als een vrouw trouwde, ze automatisch stopte met werken. Omdat mijn moeder op het kantoor een graag geziene arbeidskracht is, wordt er voor haar een uitzondering gemaakt en blijft ze na haar huwelijk nog drie jaren door tot ze op 30 april 1958 ontslag neemt. Ze krijgt een
lovend getuigschrift mee, en op een
afscheidsfeest dat op de zolderwoning op de Bergweg wordt gehouden krijgt ze van haar collega’s een leren handtas waar ze in mijn herinnering wel dertig jaar mee heeft gedaan.
Figuur xx. Na de bevrijding viert mijn moeder feest met een paar vriendinnen uit Bijlen in Drente. Mijn moeder was daar ondergebracht bij een bakkersgezin. Naast de bakkerij was een boer met drie dochters die ook op de foto te zien zijn. De jongen was een vriendje. De foto rechts toont mijn moeder op kantoor bij Unilever.
Ondanks dat ze in haar privéleven toch de nodige problemen heeft meegemaakt was oma van den Berg een bijzonder lieve vrouw en een geweldige oma. Als wij als kinderen ziek waren kwam oma altijd oppassen. Ook voor mijn moeder is ze nooit streng geweest, daar had ze zelf als kind al genoeg onder geleden. Lichamelijk was ze niet erg sterk. Vanwege haar zwakke rug droeg ze een loodzwaar korset, dat voornamelijk de zomer een verzoeking was. Verder had ze last van boezemfibrillatie, een aandoening die mijn moeder en ik van haar geërfd hebben. Nu ben ik er door de wonderen van de medische technologie vanaf geholpen en kon het probleem bij mijn moeder via medicijnen heel erg worden beperkt. In de tijd van oma waren al de middelen er niet en als de boezemfibrillatie “er weer eens inschoot” zat er voor oma niets anders op dan een dag het bed te houden tot het hart weer wat rustiger was geworden. Dit werd dan vaak al de dag ervoor aangekondigd. Als er iets is wat ik me van oma kan herinneren van de tijd in de St Agathastraat was het wel haar enorme drang tot poetsen. Naar mijn idee was oma altijd aan het poetsen en aan het werk. Elke week werd op een vaste dag de pui geboend. Het is vandaag de dag bijna onvoorstelbaar, maar vroeger was het bij een heleboel mensen de gewoonste zaak van de wereld dat één keer per week de voorgevel oftewel de pui werd geschrobd. Bij oma was dat een heel ritueel waarbij vooral veel werk werd gemaakt van het wekelijks poetsen van de koperen deurknop en brievenbus.
Wat haar persoonlijkheid extra leuk maakte waren haar absurdistische trekjes die aan het “Dickensiaanse” grensden. Als oma iets in haar hoofd had, was ze daar moeilijk van af te brengen. Dat was soms wel eens lastig, maar soms ook wel handig! Zo heeft oma vrijwel zeker voor de betrekking bij sociale zaken voor opa gezorgd, nadat hij was gestopt met varen.
Figuur xx. Links: zandhappertje spelen op vakantie in Hellevoetsluis met oma en tante Bets. Rechts: de huisjes waar we logeerden in Hellevoetsluis. In het huisje direct links sliepen wij. In het huisje dat links achteraan nog net zichtbaar is sliepen opa en oma. In het grote huis sliep de eigenaar. Er was ook nog een huisje rechts achter de bomen. Links was een kleine boomgaard waar ook bessen stonden.
Opa en Oma woonden om de hoek waardoor wij er als kind al heel vroeg zelf heen konden en omdat opa en oma een tuin hadden was het natuurlijk extra aantrekkelijk om er te gaan spelen. Als gezin gingen we steevast ’s zondags na de kerk op de koffie (met kanokoek!) bij opa en oma. Wij als kinderen speelden dan in de tuin, de “mooie voorkamer” of in de gang. Die gang was wel iets speciaals. Toen mijn vader mijn moeder leerde kennen, was er in zowel de gang als in de kasten (en die waren hoog en diep) als in het toilet geen verlichting. Mijn vader heeft dat toen geheel op zijn eigen wijze aangelegd, door de 8 Volt van de beltrafo in de meterkast onder de trap door te trekken naar de kasten en het toilet. Het waren maar armetierige lichtjes, maar ik vond ze fascinerend. Ook de “mooie voorkamer” was wat bijzonders. In die kamer, die vroeger oom Wout’s kamer was geweest, stonden oma’s mooiste meubels. De kamer werd nooit gebruikt, zo zuinig was oma op de meubeltjes. Dat was ze trouwens ook op de gewone stoelen en banken. Daar lagen altijd kleedjes op, en alleen als er bijzonder bezoek kwam werden die er afgehaald! Heel af en toe bleven we bij oma eten als ze erwtensoep had gemaakt. Dat deed ze in een enorme pan die ik nu nog steeds gebruik! Oma’s erwtensoep was redelijk dun, maar wel altijd met rookworst. Af en toe kocht mijn oma een hele berg schollen bij de vishandel in het Zwaanshals (die er nog steeds is), die ze dan thuis bakte en warm hield in een schaal op een pan heet water. Als de schaal vol was verpakte ze die in kranten en kwam ze er snel mee naar ons gelopen, waarna wij ze lekker op aten. Wat een feest was dat dan. Verder bleven we nooit bij opa en oma eten en kwamen zij ook nooit bij ons eten. Er kwam in ieder geval nooit iemand bij ons eten. Wat dat betreft waren mijn ouders erg op zichzelf. Waarom dat was weet ik eigenlijk niet. Vrienden hadden ze bijna niet en familie kwam alleen op verjaardagen over de vloer. Ik heb er later bij Marie-José erg aan moeten wennen dat iedereen zo maar kon komen aanlopen en blijven eten.
Figure xx. Met deze “dienstorder” herinnerde oma van den Berg mijn vader er op subtiele wijze aan
een bos bloemen voor mijn moeder te kopen. Merk op hoe oma Aat met een “t” schrijft.
Opa en oma gingen vaak met tante Truus en oom Piet op vakantie, ook naar het buitenland. Eén keer zijn we samen met opa en oma en tante Bets op vakantie geweest. Dat was naar Hellevoetsluis waar we in een duinpan bij een particulier een paar huisjes hadden gehuurd (Fig. xx). Met oma en tante Bets werd er dan “zandhappertje” gespeeld. Dat ging als volgt: In de top van een bergje zand werd een stokje geprikt, vervolgens moest iedereen omstebeurt van het bergje een plakje afsnijden met een mesje. Diegene die het stokje liet omvallen, werd met zijn neus in het zand geduwd. Ik denk dat mijn oma zich af en toe wel afvroeg of mijn moeder wel de aandacht en liefde van mijn vader kreeg die haar dochter verdiende. Na de dood van mijn vader vond ik in zijn papieren een briefje, waarop oma mijn vader er op een ondubbelzinnige manier aan herinnerde om voor mijn moeder, voor de één of andere gelegenheid, een “mooie bos bloemen te kopen.” Als mijn vader werkte, was mijn oma regelmatig over de vloer. Ze hielp dan in het huishouden, of speelde onvermoeibaar met ons. Oma kwam in ieder geval elke vrijdag langs om haar haar door mijn moeder te laten wassen. Hierbij werd – volgens Ireen – een flesje bier gebruikt als haarversteviger! Als we ziek waren was oma er altijd en las dan voor. Opa en oma van den Berg waren voor mijn zus en mij echt droomgrootouders waarbij we beiden vooral aan oma met heel veel warme gevoelens terugdenken. Daar komt nog bij, dat hun volkse- socialistische achtergrond, met de kleurrijke zeevarende ooms en tantes, een aangenaam contrast vormden met het gereformeerde milieu van de “Dekkers.”
Figure xx. Een mooie foto van hoe ik me opa en oma van den Berg het liefst herinner,
leunend op de balustrade van de warande in de St. Agathstraat.
| to top of page | back to homepage |
We gaan een stuk terug in de tijd naar 1946. Mijn vader en moeder hebben elkaar net leren kennen. Al heel snel begint mijn moeder te twijfelen aan hun relatie. Ze houdt niet echt van Aad. Haar moeder was een heel open
iemand die het hart op de tong had, weinig dingen opkropte en veel
vrienden had die over de vloer kwamen. Aad was precies het tegenover
gestelde. Mijn hele leven heb ik maar indirect een idee kunnen krijgen van wat hem bezielde. Als het niet ging zoals Aad wilde, hield hij zijn mond, werd stil en humeurig. De atmosfeer is dan om te snijden. Hij was het liefst op zichzelf en had geen behoefte aan anderen. Mijn moeder die hier niet mee om kan gaan wordt bang voor hem, bang dat hij weer een bui krijgt. Ze besluit de relatie te verbreken. Dan haalt mijn vader alles uit de kast om haar te behouden. Hij dreigt zelfs zich wat aan te doen (met een alarmpistool dat mijn moeder voor echt aanziet) als ze hem in de steek laat. Ze zwicht voor hem, een beslissing die ze het grootste deel van haar leven zal betreuren. Oma van den Berg ziet wat er gebeurt, maar kan het alleen maar lijdzaam aanzien, hoewel ze toch volgens mijn moeder op een bepaalde manier van mijn vader houdt.
Het was in die naoorlogse periode van grote woningschaarste uitgesloten dat jonge stellen een eigen woning konden vinden.
Nu Herma, Cor en mijn vader verkering kregen en er trouwplannen waren, werd het huis aan de Boezemlaan dus snel te klein.
Via Corbeth, een huisjesmelker die op de Noordsingel woonde, en net als opa ook lid was van de kerkenraad, lukte het opa Dekker toch een grotere woonruimte te huren waar ook de kinderen en hun aanhang een plaatsje konden vinden. En zo verhuisde het gezin Dekker op 13 november 1952 naar een pand op de Bergweg 117a.
Figure xx. De Bergweg op het punt van de splitsing met de Berghuizerweg
Rond 1955.
Bergweg 117 is het pand aan de rechterkant met het witte balkon.
Klik hier of op do foto voor een grotere versie.
Figuur xx toont de Bergweg op het punt waar deze zich splitst met de Benthuizerstraat. Het is een aanzichtkaart van de familie Dekker aan opa en oma van den Berg, die in november 1956 kennelijk op vakantie zijn in Voorthuizen. Jan en Marja zijn op dat moment al geboren. Op de foto van Fig. xx is Bergweg 117 het pand aan de rechterkant van de weg met het witte houten balkon. De voordeur lag recht tegenover de tramhalte van lijn 4 en ook recht tegenover de Victoria bioscoop. In 1908 werd op deze plaats op de Bergweg de eerste bioscoop geopend onder de naam Transvalia. Vanaf 1935 werd de bioscoop omgedoopt tot Victoria.
Hier huurden opa en oma Dekker een bovenverdieping en een zolder.
Aanvankelijk woonden opa en oma op de eerste verdieping. De zolderetage lag direct onder het dak en was toen de familie er kwam wonen nog geheel leeg. De vorige bewoners klopten er hun kleden! Om het bewoonbaar te maken hebben mijn vader en Opa Dekker de zolder flink vertimmerd. Als je de trap
opliep naar boven kwam je eerst op een ruime overloop die in het midden van de zolder lag. Er was ook een rommelhok met gereedschap en dergelijke dat afgeschermd werd door een enorme linnenkast die helemaal vol lag
met rommel, voor het overgrote deel van opa Dekker. Er was ook een zeer eenvoudige badkamer, met een lelijke roestige badkuip op pootjes en geiser, maar die kwam met een deur op de overloop uit. Er was geen verwarming in de badkamer, maar aan het plafond hing een 500W warmtelamp in een fitting met een trekschakelaar! Vervolgens waren er aan de voorkant van het pand op de zolder twee kamertjes gemaakt, één voor Aad en één voor Cor. In mijn herinnering waren die kamertjes enorm, maar dat zal in werkelijkheid wel meegevallen zijn. Aan de achterzijde van het pand waren op de zolder een slaapkamer, woonkamer en een keuken gemaakt, met een eigen ingang. Hier namen Ies en Herma hun intrek, nadat ze op 3 december 1952 waren getrouwd. De schuine wanden van het dak, waar de woonkamer direct onder lag, waren in de lengterichting
afgetimmerd en voorzien van deuren, zodat er een aantal kasten ontstonden die even lang waren als de woonkamer. Aan de linkerkant was een levensmiddelenkast (met lampje dat automatisch aanging als de deur werd opengedaan) en een kast voor dekens en dergelijke. Dan was er aan de kopse kant van de kamer een raam, waarachter een warande was gemaakt boven op de serre van de eerste verdieping. Door over de vensterbank heen te stappen kon je op de warande komen en had je uitzicht op de achterkant van het Bergwegziekenhuis.
Intussen kregen ook mijn vader en moeder trouwplannen. Nu was mijn moeder van huis uit Hervomd en al helemaal niet praktiserend. Oma van den Berg was in wezen een gelovig mens, ze bad ook altijd voor het eten, maar naar de kerk gaan deed ze niet. Zoals mijn vader altijd zei, ‘met onze Lieve Vader kan oma het goed vinden, ze heeft alleen niet veel vertouwen in het grondpersoneel.’ Opa van den Berg was helemaal niet gelovig. Toch had mijn moeder altijd wel de Zondagschool bezocht. Nu was dat in die tijd niet voldoende om met mijn vader te kunnen trouwen heeft mijn moeder zich in een kerkdienst moeten laten (over)dopen en belijdenis moeten doen. Zoiets zou nu ondenkbaar zijn, maar mijn moeder heeft het toch maar allemaal voor mijn vader over gehad! Om na hun trouwen een plekje te kunnen hebben om te wonen, gaan opa en oma Dekker in de tussenkamer slapen, zodat de slaapkamer beschikbaar komt voor mijn vader en moeder. Die maken van de slaapkamer een woonkamer en van de serre een slaapkamertje. Ze trouwen op woensdag 6 april 1955. Het is een relatief sobere dag. ’s Ochtends trouwen ze op het stadhuis en daarna in de kerk. ’s Middags is er een koffietafel in de St Agathastraat. Ook tante Herma kan zich van de dag niet veel herinneren, behalve dan dat mijn moeder persé geen boeket met anjers wil. ’s Avonds vertrekken mijn vader en moeder voor een korte huwelijksreis naar Amsterdam. Als ze terug komen uit Amsterdam nemen ze hun intrek op de Bergweg.
Figure xx. Trouwen van mijn vader en moeder op woensdag 6 april 1955
Na zijn diensttijd krijgt mijn vader, waarschijnlijk wederom op voorspraak van oom Wout, een baan als laborant bij Unilever. Elke dag reist hij met de trein op en neer tussen Rotterdam en de Unileverfabriek in Zwijndrecht. ‘Hoe dichter bij Dort hoe rotter (het weer) wordt,’ zullen we de rest van ons leven moeten horen als we langs Dordrecht
rijden. In de avonduren volgt hij een cursus tot laborant in de Graaf Florisstraat. In tegenstelling tot wat destijds de gewoonte was blijft mijn moeder nog enkele jaren doorwerken op de afdeling “omzet kaarten” van Unilever. In 1957 verhuizen Ies en Herma naar een etage op de Beukelsdijk en schuiven mijn ouders door van de eerste etage naar de zolderverdieping, zodat opa en oma Dekker hun slaapkamer weer terug hebben. Als mijn moeder uiteindelijk in April 1958 ontslag neemt is er een afscheidsfeestje op de zolderverdieping.
In de spaarzame uurtjes die overblijven tussen het werken en de avondcursus wordt er toch nog geknutseld door mijn vader. Zo maakt hij een radio voor opa en oma van den Berg. Op een gegeven moment maakt hij
een radio met enkele batterijbuisjes. Dit zijn buisjes uit de D-serie (DAF96, DL92, …) met een miniatuur voet, die een gloeidraad spanning van 1.5V nodig hebben bij een anode spanning van ca. 45V. Dit waren toen dure buisjes waar mijn vader lang voor had moeten sparen. In zijn opwinding het ontvangertje te testen, maakt mijn vader een fout en sluit hij perongeluk de 45V anode-spanning aan op de gloeidraadjes, die met een felle flits doorbranden. Weg waren de buisjes waar hij maanden voor heeft moeten sparen. Ik heb dit altijd zo’n intens triest verhaal gevonden. Mijn vader was geen makkelijk mens, maar heeft ook weinig geluk gehad in zijn leven. Het gevolg was dat mijn vader me bij alles wat ik knutselde altijd op het hart drukte om voor ik iets inschakelde toch altijd eerst te controleren of de voedingsspanning klopte en of plus en min niet verwisseld waren. Een wijze les, waar ik tot op vandaag de dag nog plezier van heb. Recent kon ik, toen op het werk een kast met buizen werd opgeruimd, de hand leggen op een hele serie batterij buisjes. Wat zou mijn vader daar blij mee zijn geweest! De foto links toont een DL92, DK96 en DAF96 die ooit nog van mijn vader zijn geweest.
Aan de rechterkant van de kamer was een tweede kast getimmerd die ook over de volle lengte van de woonkamer liep, waarin mijn vader zijn knutselspullen bewaarde en waarin hij achterin ook een soort van heel eenvoudige donkere kamer had gemaakt. Zoals in zijn hele verdere leven was mijn vader niet in staat iets op te ruimen. Het gevolg was dat het wel leek of die kast was vol gestort! De puinhoop in de kast was niet te overzien en het
einde van de kast, die lang en diep was, heb ik nooit kunnen bereiken.
Mijn zeven jaar oudere neef Jan herinnert zich die kast nog heel goed. ‘Je vader had er een soort trafo met een meter erop, als je aan de knop draaide ging de wijzer heen en weer. Ik heb er als kind wat gezeten.’ Het was in de tijd dat mijn zus en ik nog niet geboren waren en zowel Jan als Marja veel bij mijn ouders over de vloer kwamen. Dit soort ervaringen en het enthousiasme van mijn vader voor elektronica moeten bij Jan wel de kiem hebben gelegd voor zijn interesse in elektronica, want hij is er zijn hele leven niet vanaf gekomen en is er nu nog werkzaam in.
Op deze zolder word ik op
vrijdag 9 juni 1961 geboren. Een jaar later wordt
Ireen geboren op 24 oktober 1962. Omdat de zolderkamertjes van Cor en mijn vader inmiddels leeg staan, kunnen we ieder ons eigen kamertje krijgen. Ireen slaapt in het linker kamertje vanaf de straat gezien en ik in het rechter kamertje. Mijn vader maakt voor ieder van ons een nachtlampje in een plastic bekertje waarop met “wrijf figuurtjes” konijntjes zijn afgebeeld. De foto links toont één van die typisch inventieve knutseldingen zoals mijn vader ze kon maken. Het is een nachtlampje voor op vakantie, gemaakt van een neon lampje in een stekker. Het werkt nog steeds en ik gebruik het zelfs nog af en toe voor de kinderen. Ik zelf heb maar heel weinig herinneringen aan de tijd op zolder. Vaag kan ik me de kast van mijn vader voor de geest halen. Mijn vader had aan de binnenkant van de kastdeur een bordje gemaakt met daarop enkele lampen die aan- en uitgezet konden worden met een paar schakelaars. Na het eten werd ik dan op de po voor dit bord gezet en zat ik er tijden mee te spelen. Mijn eerste “hands-on” ervaring met de elektrotechniek. In feite is er sinds dat moment maar weinig veranderd, al knutsel ik nu niet meer op de po! Ook kan ik mij nog goed voor de geest halen hoe ik voor mijn vierde verjaardag mijn eerste elektrische trein kreeg.
Een Marklin basisdoos met een transformator, een loc en twee wagons. Ik heb alles nog steeds en nadat ik een aantal jaren geleden de boel grondig heb gereviseerd spelen mijn kinderen er nog steeds mee.
Figure xx. Links: opa Dekker’s 40 jarig jubileum bij het G.E.B. wordt met enkele collega’s op bescheide wijze in huiselijke kring gevierd. Rechts: de flat op de Reijerdijk in Ijselmonde waar oma Dekker in 1965 naar toe verhuist.
Klik hier voor een grotere foto.
Op 15 oktober 1957 is Opa Dekker
40 jaar in dienst van het G.E.B. van Rotterdam. Het wordt feestelijk gevierd, en er verschijnt zelfs een kort stukje over hem in de krant. Enige tijd daarna ontvangt opa voor al het werk dat hij voor de kerk heeft gedaan naast zijn drukke baan, een lintje en wordt hij tot Ridder in de orde van Oranje Nassau benoemd. In 1963 wordt opa ziek. Hij heeft het aan zijn hart, een aandoening die vandaag de dag met een pilletje, of een simpele dotterbehandeling te verhelpen zou zijn geweest. In 1963 kon men op dat gebied jammer genoeg nog niet zoveel en op 31 oktober van dat jaar overlijdt hij op de Bergweg aan een hartinfarct na een relatief kort ziekbed van enkele maanden.
Figure xx. Deze foto is genomen na de doop van Ireen begin 1963. Het is een bijzondere foto omdat het de enige foto
van opa Dekker in kleur die ik ken. Enkele maanden na het nemen van deze foto is opa Dekker overleden.
Van links naar rechts: Leo, opa Dekker, Wilma, Jan, Ireen, oma Dekker, Ronald en Marja.
Klik hier voor meer doopfoto’s.
Na de begrafenis op de begraafplaats Oud-Kralingen woont oma alleen op de eerste verdieping. Nu stonden mijn vader en moeder al geruime tijd ingeschreven voor een flat in de nieuwbouwwijk IJsselmonde. Niet lang na het overlijden van opa krijgen ze een flat op de Reijerdijk in IJselmonde toegewezen. Omdat oma nu alleen is en bovendien wat ouder wordt en de flat bovendien eigenlijk te klein is voor een gezin, werd besloten dat oma in de flat ging wonen. Ze verhuist in de zomer van 1965 en wij verhuizen van de zolder naar de eerste verdieping. Ireen en ik houden natuurlijk onze zolderkamertjes. De woning op zolder wordt, nadat hij wat is verkleind zodat van de slaapkamer een oplagruimte kan worden gemaakt, verhuurd aan (blanke!) ongehuwde meisjes, bij voorkeur verpleegsters van het Bergwegziekenhuis, hoewel er ook een enkele keer een stewardess bijzat (juffrouw Gidding).
Figure xx. Bergweg 117a nu op de mooie ochtend van de 13e juli 2009. De ingang van 117a was de eerste deur rechts van de winkel links. In deze winkel was, toen wij er woonden, de eerste hondenwasserij van Nederland gevestigd: “Wie Wast Woef” van van Vliet. Het houten balkon dat in Figuur xx te zien is werd al in onze tijd vervangen door een veiliger metalen constructie. De foto met dank aan Rinus Boxer!
| to top of page | back to homepage |
De meest intens gelukkige jeugdherinneringen heb ik aan de wekelijkse wandelingen naar het Zwaanshals met mijn vader. Het Zwaanshals is één van de oudste volksbuurten van Rotterdam, gelegen langs de Rotte op ongeveer twintig minuten lopen van de Bergweg. In het Zwaanshals was de elektronicawinkel van Frans v.d. Mijde en vrijwel iedere zaterdag, na het ontbijt (of na de koffie?), trokken mijn vader en ik erop uit voor een bezoek “aan v.d. Mijde” waarbij we dan ook steevast alle andere radio- en elektronicawinkels in de buurt bezochten. En dat waren er nogal een aantal!
Figure xx. De Winkels van de Technische Handelsonderneming “Correct” B.V.
in de Zaagmolenstraat in 1970. (met dank aan Bep Siepman).
We staken altijd eerst schuin over door de Louwerslootstraat naar de Benthuizerstraat, die we volgden tot aan de Zaagmolenstraat. Daar was
destijds de winkel van Radio Correct gevestigd, die toen al een aantal panden besloeg. Mijn vader kende de eigenaar een beetje en maakte af en
toe een praatje met hem. Een van de meest fascinerende dingen die ik daar ooit in de etalage heb zien staan was een enorme kleuren TV, die naast een groot kleurenscherm ook nog drie kleine zwart wit TV schermpjes bevatte, zodat je naast het programma waar je naar aan het kijken was, ook nog drie andere zenders in de gaten kon houden. Een verre voorloper van de Picture in Picture feature van moderne TV’s. Als klap op de vuurpijl bevond zich ook nog naast ieder scherm zo’n mysterieus gloeiend nixie buisje dat de zender aangaf. Ik weet nog dat mijn vader en ik ademloos naar dit wonder van techniek hebben staan kijken. Omdat mijn vader helemaal weg was van alles wat klein was, moeten drie van die kleine schermpjes een droom voor hem zijn geweest. Ik weet nog dat ik mijzelf toen heel slim vond omdat ik bedacht had dat bijvoorbeeld de elektronica voor de afbuiging voor alle vier de schermen kon worden gebruikt. Pas later realiseerde ik me dat er voor dit monster in werkelijkheid drie vrijwel complete TV ontvangers nodig waren.
Ik heb nooit geweten wat voor merk het toestel was, tot ik er laatst een stukje over tegenkwam in een oude Radio Bulletin. Het bleek de Nordmende, Color Spectra Studio te zijn geweest.
Figure xx. De kruising van het Zwaanshals met de Zwaagmolenstraat. Op ons rondjekwamen we van links
en sloegen dan rechtsaf het Zwaanshals in. De zaak van v.d. Mijde lag ongeveer halverwege.
Vandaar liepen we meestal de Zaagmolenstraat af tot aan de kruising met het Zwaanshals. Het Zwaanshals is recentelijk behoorlijk gerenoveerd en het ziet er nu stukken beter uit dan toen ik het met mijn vader zo’n veertig jaar geleden bezocht. Het was toen een bonte verzameling winkeltjes waarvan het leek alsof de meesten er altijd geweest waren. Zo herinner ik me een verfhandel waar we waterglas haalden om kristallen te groeien, een kolenwinkel die schaaltjes met de diverse soorten kolen en cokes in de etalage had staan. Een fietsenhandel met een etalage barstens vol onderdelen en glazen schaaltjes met lampjes etc, en een vishandel waar grote stapels vis op bakken gevuld met ijs lagen. De hoeveelheid indrukken, geuren en geluiden vond ik fantastisch en ik denk dat ik aan deze wandelingen en in het bijzonder het Zwaanhals een enorme voorliefde voor het dwalen in stadse winkelstraten heb overgehouden.
Figure xx. “De Radio Bokser” IN EN VERKOOP van ongeregeld RADIO, ijzerwaren enz. De eerste zaak van Jan v.d. Mijde
in de Lange Pannekoekstraat 50a, 1932. Klik hier voor een grotere versie van de foto.
Ongeveer in het midden van het Zwaanshals tussen de Zaagmolenstraat en de Noordmolenstraat was de elektronica-onderdelenwinkel van
Frans v.d. Mijde. De zaak had de naam “de Radio Bokser.” De zaak had een lange geschiedenis die begon in de Lange Pannekoekstraat. Daar, op nummer 50, vestigde in 1930 Jan v.d. Mijde, de vader van Frans, de eerste winkel in radio-onderdelen en fietsen die ook toen al “de Radio Bokser” heette. Als
we de lijst met winkels in de Pannekoekstraat van 1931 bekijken, dan zien we daar een opvallend groot aantal radiowinkels die in de tijd van dit opkomende medium als paddenstoelen uit de grond schoten. In 1940 werd het hele centrum van Rotterdam en dus ook de Pannekoekstraat, met de grond gelijkgemaakt tijdens het grote bombardement van de stad door de Duitsers. Nadat de zaak korte tijd gevestigd was geweest in de
Pretoriastraat en ook daar getroffen werd door een bombardement betrok
Jan het pand in het Zwaanshals 285 (tel: 48644). Na de oorlog kocht Jan hele treinwagonladingen radio’s, die door de Duitsers in beslag waren genomen. Frans en zijn broer repareerden die, waarna ze aan de mensen voor een prikkie werden (terug)verkocht. Dat er tussen de radio’s ook nog wel eens “andere handel” zat, bleek toen op een gegeven moment iemand uit de kelder naar boven kwam en riep ‘weten jullie wel dat er tussen die radio’s een kist handgranaten staat.’ Het halve Zwaanshals is vervolgens ontruimd geweest!
Figure xx. “De Radio Bokser” in het Zwaanshals begin jaren vijftig. In de deuropening Jan en Frans v.d. Mijde
Klik hier voor een grotere versie van de foto en Klik hier voor een foto van de zaak rond 1960.
Het was werkelijk één van de meest wonderbaarlijke winkels die ik ooit heb gezien. Wat betreft bouw leek de winkel heel erg op zo’n typisch oud Hollandse winkel, waarbij je voorin het winkel gedeelte hebt, waarna je
via een half trapje omhoog in een woongedeelte komt dat via raampjes uitkeek op de winkel. Alleen was hier de afscheiding tussen beide
gedeelten verwijderd, zodat het één grote winkel was geworden, met halverwege een trapje naar het hoger gelegen achtergedeelte. Van der Mijde, zoals mijn vader hem altijd noemde, handelde in de tijd dat wij er kwamen in “restpartijen.” Dit waren partijen onderdelen, componenten, kasten, luidsprekers e.d. die over waren wanneer de productielijn van een
fabrikant, een “set-maker” zouden we vandaag de dag zeggen, overschakelde
van één type product naar een ander. Het is vandaag de dag, nu alles wat elektronisch is en uit China lijkt te komen, moeilijk voor te stellen, maar in de jaren vijftig en zestig had je in Europa letterlijk honderden kleine fabrikanten van elektronische apparatuur. Frans kocht zijn restpartijen voornamelijk in Duitsland. Het bijzondere was nu dat al die mooie spulletjes niet netjes in de winkel werden uitgestald, maar letterlijk in dozen en hopen in de winkel werden gestort! Waarschijnlijk hadden ze na de laatste verhuizing uit de Pretoriastraat niet meer de moeite genomen de boel eens netjes op te ruimen. Aan weerzijde van een smal pad, dat van voor naar achter in de winkel liep, stonden de dozen tot aan je middel. Ook de toonbank was bezaaid met hopen troep, waarin soms wat nuttigs zat. In het midden van de toonbank stond een enorme ouderwetse kassa met zwengel en grote koperen schuiven om de prijs in te stellen. Achter de toonbank stond meestal Frans en achter hem tegen de muur stond een grote kast met glazen schuifdeuren, die vol stond met kartonnen doosjes van diverse afmetingen met een grote verscheidenheid aan onderdelen, schijnbaar zonder enig systeem, maar waarin Frans feilloos de weg wist te vinden. Op de begane grond was verder nog een nisje met een toilet waar ik nooit naar toe heb durven gaan, en een trapje naar de kelder, die volgens de verhalen inmiddels volledig het domein van de ratten was geworden en waar niemand zich in lange tijd gewaagd had. Op het “bovengedeelte” van de winkel achter in het pand was iets meer ruimte. Hier zat Kees, de broer van Jan v.d. Mijde, in colbert jasje en zonder stropdas altijd op een olievaatje sjekkies te draaien en te roken. Kees zei nooit veel en repareerde televisies. Er stond dan ook meestal een TV, met de achterkant eraf te spelen (of niet). Kees prikte er dan een andere buis of tor in, net zolang totdat deze weer speelde. In die tijd kon dat nog! Ook boven bevonden zich grote hopen rommel. Frans zelf was een bijzonder particulier waar ik altijd een beetje bang voor was omdat hij nogal vreemd uit de hoek kon komen. Hij stond vaak met zijn gebit dwars in zijn mond en een standaard grapje van hem was zijn gebit uit z’n mond te halen en tegen mij te zeggen, ‘hier hou eens even vast.’ Desondanks was het geweldig om in die hopen met troep te grasduinen terwijl mijn vader met Frans en de andere bezoekers stond te praten. Meestal gingen we niet met lege handen naar huis en kocht mijn vader wel iets wat hij eigenlijk niet nodig had en ik kreeg meestal iets van Frans wat ik erg mooi vond. Mijn zus kreeg altijd een kwartje van hem als ze eens meeging. Ik zal een jaar of zes zijn geweest toen ik van Frans een oud TV chassis kreeg. Nadat we het van het Zwaanshals naar huis hadden gezeuld, heb ik toen precies één zaterdagmiddag nodig gehad om het chassis tot een berg onderdelen te reduceren.
Figure xx. Link: het Zwaanshals in de jaren vijftig/zestig gefotografeerd met de rug naar het Noordplein. Klik hier voor een foto van het Zwaanshals in de andere richting. De zaak van v.d. Mijde was de één na laatste zaak in het tweede blok aan de linker kant. De eerste straat links is de Snellemanstraat waar de winkel van van Dam was gevestigd. Recht: de zaak van v.d. Mijde zoals die er nu uitziet. Het is de eerste winkel links van het hoekhuis. Destijds was er één grote etalageruit. Met een deur aan de linkerkant.
Na van der Meijden liepen we het Zwaanshals verder uit richting het Noordplein en vaak liepen we dan nog even binnen bij de elektronica-onderdelenwinkel “van Dam,” die
vanaf december 1966 op nummer 11 in de Snellemanstraat, een zijstraat van het Zwaanshals, was gevestigd. In mijn herinnering leek de zaak nog het meest op een verbouwde garage, die heel ver naar achteren doorliep. In het voorste gedeelte was de winkel. Wat mij als kind enorm intrigeerde was de enorme wand met ladenkastjes waarin de componenten waren opgeborgen. Ik vond dat geweldig, dat moest ik ook hebben om mijn onderdelen op te bergen. Maar ja dat soort kastjes was duur. Als ik naar de stad ging moest ik me altijd even bij de gereedschapsafdeling in de
kelder van Ter Meulen vergapen aan dat soort ladenkastjes die daar zelfs in een vitrine stonden. Op een gegeven moment heb ik zelf van hout een kastje gemaakt waarin plaats was voor zestien kartonen laadjes. Als je als kind iets zo graag hebt willen hebben, is het niet gek dat je daar je hele leven een zwak voor blijft houden. Op mijn
knutselkamer zijn dan ook twee wanden helemaal gevuld met schitterende ladenkasjes die op het werk werden weggegooid. Achterin de zaak van van Dam was een soort werkplaats waar schakelingen werden bedacht en gemaakt. Ik herinner me nog goed hoe daar driftig aan een elektronisch orgel werd gewerkt, iets wat in die tijd een heel populair zelfbouw onderwerp was. Wat ik mijn hele leven niet zal vergeten was dat er op een gegeven moment direct na binnenkomst rechts op de toonbank een soort teller stond waarin een heel rijtje nixie buisjes driftig stond te tellen. Het kan vreemd lopen in het leven: je ziet als kind een keer zo iets en veertig jaar later ben je nog leip van die buisjes en heb je er zelfs een eigen web-site over!
Na “van Dam” liepen we dan gewoonlijk het Zwaanshals verder uit richting het Noordplein. We passeerden dan de winkel van Sijpe. Ook dat is een bijzonder verhaal. De winkel van Sijpe was ook een elektronica-onderdelenwinkel, of beter gezegd een radio-onderdelenwinkel, want in de tijd dat de winkel van Sijpe nog open was, was er gewoon niets anders. Ik heb zelf aan de winkel slechts heel, heel vage herinneringen. Volgens mij was het in de winkel donker en net als in de winkel van van der Mijde een behoorlijke rommel. Volgens Bep Siepman stond er op de toonbank naast de kassa een zelfgebouwde radio die Sijpe gebruikte als buizentester. Om een buis te testen, werd deze, indien nodig via een verloopvoet, op een geschikte plaats in de ontvanger geprikt. Om de één of andere reden ging de winkel op een gegeven moment dicht, waarna er aan zowel de inhoud en in ieder geval de etalage, zo’n twintig jaar niets veranderde. Het is wel voor te stellen hoe intrigerend dat voor een kind is. Ik vroeg wel eens om uitleg bij van der Mijde, maar kreeg dan altijd een vreemd of ontwijkend antwoord. Op een gegeven moment, we waren toen al lang naar Moerdijk verhuisd, was de winkel ineens verdwenen. De balken van de vloer waren verrot en de boel stond klaarblijkelijk op instorten. Frans van der Mijde kocht de hele inventaris op en volgens Rinus Boxer kwamen er uit het pand maar liefst 3 draaibanken te voorschijn. Volgens Rinus moet bij de inventaris schitterend spul hebben gezeten. Zelf heb ik toen nog een setje zeer oude buizen gekocht. De foto links toont er een paar. Van der Mijde noemde een p-voet steevast toepasselijk een “platvoet”. De twee kleine diode buisjes op de voorgrond, met een overigens behoorlijk zeldzame p5 voet, werden door hem omgedoopt tot “hondenlulletjes.” De buizen kostten toen bijna niks, en ik kan me nu wel voor mijn hoofd slaan dat ik er toen niet meer heb gekocht.
Halverwege de Noordmolenstraat lag de zaadhandel “Appel.” Aangezien mijn vader ook een zekere interesse had “in plantjes,” gingen we ook hier even naar binnen. De winkel zelf kan ik me nog maar vaag herrineren, maar de intense geur van de zaden en de bloembollen zal ik mijn hele leven lang niet meer vergeten. Een eindje verder op de hoek van de Noordmolenstraat en de Tollensstraat zat de radio- en televisie winkel van von Burgh. Daar keken we in de etelage, maar gingen er maar zelden naar binnen.
Von Burg bestaat nog steeds! Nog weer een eindje verder op de kruising met de Jacob Catsstraat, ging de Noordmolenstraat over in de Zwartjanstraat. Rechts in de Jacob Catsstraat was en is trouwens nog steeds een Italiaanse ijswinkel waar ik soms een ijsje kreeg.
Figure xx. Links: de winkel van v.d. Embden met personeel. De foto is genomen ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van
van Embden (sr) in 1957. Rechts: een kijkje in de winkel rond 1969 met Bep Siepman (l) en Maup van Embden (r).
Klik hier
of
hier
voor grotere versies van de foto’s. (met dank aan Bep Siepman en Maup van Embden jr2).
Voorin de Zwartjanstraat, komende vanuit de Noordmolenstraat, was en is trouwens nog steeds, de elektronicawinkel van “van Embden.” Ook deze winkel vindt zijn oorsprong ver voor de oorlog in de Lange Pannekoekstraat 20-24-26 te Rotterdam. Al rond 1920 vestigde hier Maup van Embden (sr) en zijn boer een winkel in radio- en fietsonderdelen onder de naam “Gebroeders van Embden.” Na dat het grote bombardement van 1940 een groot gedeelte van Rotterdam, inclusief de Pannekoekstraat met de grond gelijk maakte, besluit van Embden (sr) een nieuw bedrijf op te zetten in het pand in de Zwartjanstraat. Het nieuwe bedrijf richt zich uitsluitend op de verkoop en reparatie van radio-onderdelen en apparatuur. Vanwege de joodse afkomst van van Embden (sr) wordt het bedrijf op naam van Maup van Embden (jr 1) gezet (Fig. xx). Onder zeer moeilijke omstandigheden overleeft het bedrijf ternauwernood de oorlog. Door de toenemende concurrentie op het gebied van elektronische apparaten wordt aan het einde van de jaren zestig besloten alleen nog maar elektronische- en elektrische onderdelen te verhandelen. Na de vroegtijdige dood van van Embden (jr 1) in 1974 neemt, aanvankelijk samen met zijn moeder, van Embden (jr 2) de bedrijfsvoering van de zaak over en doet dat tot op heden.
De winkel van van Embden was vergeleken met de winkels
van v.d. Mijde en Sijpe een zeer nette zaak. Nadat je via een portiek met grote etalages was binnengekomen, kwam je in de zaak waar aan beide
zijden lange toonbanken stonden waarvan de bovenkant van glas was, zodat je daardoorheen een greep uit het assortiment onderdelen kon zien. Achter de toonbanken stonden hoge kasten voor de grotere onderdelen zoals buizen en lampen. Het assortiment van AMROH was ook goed vertegenwoordigd. Naar ik meen stond er een rek vol zakjes met UNIFRAME chassis delen, gaatjes print, soldeer beugeltjes en rolletjes draad. Als mijn vader en ik “serieuze” onderdelen moesten hebben, zoals bijvoorbeeld voor de “bliksembarometer,” dan kochten we ze hier. Een bijzondere verschijning in de winkel die, zeker toen, een typische mannenomgeving was, was mevrouw van Emden, de moeder van Maup van Embden (jr 2) die je ook heel deskundig kon helpen. Wat ik als kind absoluut het mooiste vond was de enorme buizentester die bij binnenkomst links in een hoekje op de toonbank stond. Onlangs kwam ik in contact met Maup van Emden (jr 2). Volgens hem is van Embden ‘nog de enige onderdelenwinkel aan deze kant van de Rotte.’ De buizentester had het helaas op een gegeven moment begeven. Maup heeft hem daarna verkocht aan Rinus Boxer, die voor mij nog het type plaatje bovenwater heeft weten te halen, het was een: Neuberger, type RP270/1, nr 946, bouwjaar 1954, J.Neuberger, Munchen 25, 220V/50W, bedankt Rinus!
Tot slot liepen we dan nog meestal even langs “ELRA” die weer iets verder in de Zwartjanstraat op nummer 38 was gelegen. Ik heb me altijd afgevraagd waar de naam ELRA vandaan kwam tot ik een
foto van de zaak in 1950 zag. Het bord boven de winkel verraadt duidelijk dat ELRA staat voor ELectro RAdio. Alhoewel ELRA ook onderdelen verkocht was deze winkel toch vooral gespecialiseerd in apparatuur voor zendamateurs. In de etalage lagen vooral seinsleutels en er stonden schitterende semi-professionele zend- ontvangapparatuur van o.a. TRIO. Ook hier kende mijn vader de eigenaar weer en een tijd lang heeft hij voor hem defecte tunertjes gerepareerd. Met het bezoek aan ELRA was ons rondje dan meestal wel ten einde en liepen we via de Pijnackerstraat en de Benthuizerstraat weer terug naar huis.
Figure xx. Links, ELRA begin jaren zeventig, Rechts een close-up van de etalage.
Een keer in de zoveel tijd als we er zin in hadden liepen we via de Jonker Fransstraat en de Meent naar de stad. De eerste attractie daar was de markt die naast het spoor was, dat toen nog op palen bovengronds liep, en waar
zoals al vermeld tante Lien een stoffenkraam had. Het doel was echter niet tante Lien, maar de rommelmarkt die onder het spoor was. Geweldig, eindeloze kraampjes met bergen rommel, waar ook vaak iets van elektronica tussen lag.
Figure xx. Links: de rommelmarkt tussen de Meent en de Hoogstraat onder het spoor. Rechts: de elektronica winkel Lecos in de Hoogstraat.
De rommelmarkt eindigde daar waar de markt kruiste met de Hoogstraat. Daar sloegen we links af de Hoogstraat in. Op één of andere manier gingen we nooit bij Lecos naar binnen, maar bleef het altijd bij kijken naar de
etalage. Een eindje verder in de Hoogstraat ter hoogte van de Vlasmarkt was Aurora Kontakt. Net als Lecos was ook dit een zaak die behalve
electronica onderdelen en bouwpakketten ook radio’s, lampen, licht armaturen en kleine huishoudelijke apparaten verkocht. Persoonlijk heb ik mij nooit zo aangetrokken gevoeld tot elektronica-onderdelenwinkels waar ook strijkijzers in de etalage stonden. Maar goed, Aurora Kontakt was zo’n winkel en ze gaven ook een jaarlijkse catalogus uit, de “Kontakt Gids” die behalve boordevol onderdelen, ook boordevol schema’s stond. Op een gegeven moment stond er in de etalage van Kontakt iets wonderbaarlijks: een
elektronica experimenteer doos,
die bestond uit kleine blokjes die ieder een onderdeel zoals een transistor of weerstand bevatte. In de onderkant van de blokjes zat een magneetje zodat ze mooi op een metalen bodemplaatje bleven kleven. Met de blokjes konden circuitjes worden gemaakt doordat er aan de zijkanten van de blokjes kontaktvlakjes waren gemaakt. Als de dag van gisteren herinner ik me hoe ik van dit moois helemaal weg was. De doos koste bijna honderd gulden, wat in die tijd echt een vermogen was, zeker gezien het geringe aantal componenten dat er in zat. De doos kwam er dus uiteraard niet, al heeft mijn vader nog wel geprobeerd het na te maken van LEGO steentjes.
Figure xx. De vlasmarkt aan de hoogstraat, met de toren van de Laurens kerk in de stijgers op de achtergrond.
De etalage links was van Aurora Kontakt. Misschien vind ik ooit nog wel eens betere foto.
Na Kontakt stond steevast een bezoek aan V&D op het programma. Op de begane grond was daar destijds de foto- en boekenafdeling. Op de foto-afdeling werden de telescopen en microscopen bewonderd en mijn vader en ik hadden ieder onze eigen interesses in de boekenafdeling. Soms dronken we dan wat in het restaurant aan de achterzijde, maar meestal kreeg ik een kroket bij de koffiehoek naast de hoofdingang. Kroketten bij V&D was wat rookworst was voor de HEMA. De kroketten werden op grote bladen uit de keuken gebracht waarna zij op een toonbank in een hoekje naast de deur voor, ik meen een kwartje, werden verkocht. Na een bezoek aan de boekhandel “de Slegte” gingen we dan meestal naar huis. Hoe weet ik niet meer zo goed.
| to top of page | back to homepage |
Alhoewel mijn vader al vanaf de oorlog de elektronicawinkels rond het Zwaanshals bezocht, ging ik in mijn herinnering pas mee nadat we in 1965, toen ik vier was, van de zolder naar de eerste verdieping op de Bergweg waren verhuisd. Het zal ook rond die tijd zijn geweest dat ik voor het eerst naar de kleuterklas van de Juliana van Stolbergschool ging. Dat was in de klas van juffrouw Kip. De Juliana van Stolbergschool lag en ligt nog steeds heel bijzonder midden in het blok huizen tussen de Bergweg en de Rodenrijselaan. Aan alle kanten was de school omringd door de achterkanten van de huizen van het blok waar het instond. Je kon alleen bij de school komen door een poort in de Roderijselaan die onder één van de huizen doorliep. Meer scholen in de buurt waren op die manier gebouwd. Op de lagere school was ik maar een heel matige leerling. Leren interesseerde me niets en ik zat liever te spelen en te dromen. Ik stond vaak op de gang omdat ik weer had zitten kletsen. Ik weet nog heel goed hoe ik op de gang stond en binnen op het bord het woord “voorzetselvoorwerp” zag verschijnen, ik weet tot op de dag van vandaag nog steeds niet wat het is. In de laatste klas werden de leerlingen opgedeeld in groepen A,B en C. Met in A de beste leerlingen en in C de slechste. Ik werd in C ingedeeld. Dat was toch mijn eer te na en ik ben toen harder gaan werken zodat ik bij het volgende rapport in groep B kwam. Voor het schrijven van deze pagina nog eens mijn
rapportboekje van de lagere school opgezocht. Als ik mijn
cijfers uit die tijd eens bekijk, dan vallen die eigenlijk best wel mee. Leuk is het om de namen van de docenten zo op een rijtje te zien staan:
mej. van Efferen,
mw. Jongeneel (in de dependance op de bergsingel), mw. Vreeswijk, dhr. Snoek, mw. Clausing en dhr Knoester (hoofd der school).
Aan het eind van de zesde klas kreeg ik een mooi getuigschrift en het uiteindelijke schooladvies in klas zes luide: MAVO.
Zolang ik me kan herinneren, ben ik altijd hevig geïnteresseerd geweest in alles wat met wetenschap en techniek te maken had. Die interesse werd natuurlijk in de eerste plaats gevoed door mijn vader die dezelfde interesses had, maar het was natuurlijk ook een gevolg van de tijd waarin ik opgroeide. De jaren zestig en zeventig waren een tijd van ongelooflijk optimisme, er heerste het geloof dat de wetenschap en de techniek weldra voor alles een oplossing zouden hebben. Het waren de jaren van het Apollo project dat zou resulteren in een mens op de maan op mijn achtste! Ik denk niet dat mijn ouders er veel moeite voor hebben moeten doen om mijn interesse in techniek te stimuleren. Zowel Ireen als ik waren lid van de kinder-bibliotheek in de … straat. Daar mocht je uit elke categorie één of twee boeken lenen. In de categorie avonturen werd eerst de volledige serie boeken van de Avonuren van de Kameleon verslonden, waarna de avonturen van “de vijf” van Enid Blyton aan de beurt waren. Bijvoorkeur haalde ik vrijdagmiddag een nieuw boek dat dan in zijn geheel op zaterdagochtend in bed werd gelezen. In categorie avonturenboeken vond ik op een gegeven moment ook een paar boeken van de “Club van Draadje.” Het waren de avonturen van een groepje van techniek bezeten jongens, die zelf radio’s en zenders bouwden. Ik heb die boeken letterlijk verslonden. Op een gegeven moment waren ze er niet meer en ik ben ze pas heel veel later weer tegen gekomen en gekocht, in een tweedehands boekwinkeltje in Den Haag kort nadat ik Marie-José had leren kennen. Ook het boek “Het Radio Spook” van … mag niet onvermeld blijven. Het was een jeugdboek van mijn vader, en gaat over een groepje tieners die avonturen beleven met hun clandestiene omroepzender.
Het allereerste boekje dat ik ooit geleend heb in de categorie wetenschap- en techniekboeken was het boekje,
“Over Magneten, Lampjes en Batterijen,” uit de beroemde “Ladybird Books” serie. Het was een boekje in de jaren vijftig stijl vol Britse kneuterigheid over een jongen en een meisje die samen de wonderen van elektriciteit en magnetisme ontdekken. De meeste experimenten heb ik geprobeerd na te doen en hoewel het achteraf gezien een vrij onbenullig boekje was, is het toch moeilijk te onderschatten wat een enorme indruk het op mij gemaakt heeft. Het was een feest van herkenning toen ik het boekje een paar jaar geleden op een rommelmarkt weer tegen kwam. Het was merkwaardig hoe sommige van de plaatjes, hoewel schijnbaar vergeten, toch ergens in mijn geheugen gekerfd moeten hebben gestaan. Een soortgelijke indruk, zij het iets later hebben de “Jongens Radio” boeken van de Muiderkring gemaakt.
Een ander boek dat zeker heeft bijgedragen tot wie ik ben geworden was het boek, “Uit het leven van Edison” door J. Stamperius. Ik weet niet hoe we aan het boek kwamen, vermoedelijk heeft mijn vader het als kind van een tante of oom gekregen. Ik heb het boek letterlijk stukgelezen. Van mijn ouders kreeg ik ook af en toe een techniek boek. Zo kreeg ik bijvoorbeeld een boek over de werking en het gebruik van de microscoop nadat ik eerst voor St. Nicolaas een kinder-microscoopdoos had gekregen. Omdat mijn vader laborant was, was ik natuurlijk extra geïnteresseerd in alles wat met scheikunde te maken had. Ik denk dat mijn vader dat wel leuk vond, want op een gegeven moment hebben we tijdens één van onze zaterdagochtendwandelingen in de Zwartjanstraat het boek “Scheikunde Thuis, Chemische proeven voor de jeugd” gekocht. De maanden daarop werden besteed aan het opbouwen van een voorraad aan chemische stoffen en apparatuur zoals reageerbuisjes en een zelfgemaakte spiritusbrander. In het “accukastje” van de radio van opa Dekker maakte mijn vader twee plankjes zodat dat kon dienen als “scheikundekastje.” Toch was scheikunde niet helemaal “mijn ding,” ik begreep het allemaal niet, en ik heb er maar relatief weinig mee gespeeld. Eind 1972 kreeg ik van mijn ouders een abonnement op het maandblad “de Jonge Onderzoeker.” Dat vond ik echt geweldig, speciaal de “doe het zelf” artikelen van Henk Mulder, mijn toekomstige leraar natuurkunde op de middelbare school.
Als kind ben ik eindeloos bezig geweest met het prutsen met lampjes, schakelaartjes, drukknopjes en batterijtjes. Vanaf dat ik een jaar of zes was wist ik al alles over stroomkringen, parallel- en serieschakeling, kortsluiting, houdrelais en hotelschakelingen. De spullen kwamen uit de voorraad van mijn vader. Het leukste was het om alles in een stapel schoenendozen te monteren, waarbij sommige dozen met een kabel met DIN pluggen werden doorverbonden zodat in één doos een lampje aanging als in één van de andere dozen een schakelaar werd omgehaald. Voor de voeding werd meestal een oude busvormige transformator van een ERRES elektrische deken gebruikt.
Figuur xx In mijn jeugd heb ik ontzettend veel met LEGO gespeeld. De belangrijkste onderdelen kwamen uit bovenstaande doosjes: tandwieltjes (801), 4.5V moter (107), het huisje waar het allemaal mee begon (322), miniatuur lampjes (955) en een buislampje (985).
Natuurlijk was er ook het gewone kinderspeelgoed. Nadat we eerst Bambino constructiesteentjes hadden gehad kwam er op een gegeven moment LEGO. Ik weet nog goed dat ik voor een verjaardag of voor St. Nicolaas een
L-vormige villa cadeau kreeg. Een huisje is wel aardig, maar iets bewegends en technisch is natuurlijk veel leuker! In die tijd was er nog niets wat ook maar in de verste verte op het technisch LEGO van nu leek. Wel waren er uitbreidingsdoosjes te koop met steentjes en wieltjes in alle soorten en maten. Die doosjes waren vierkant met een rond venstertje in de voorkant waarachter de steentjes zichtbaar waren. Het mooiste doosje bevatte een steentje met een lampje en een aansluitsnoertje. De allermooiste uitbreiding was een elektrisch motortje dat ik met St. Nicolaas had gekregen en dat vrijwel direct werd gevolgd door een doosje met een setje tandwieltjes en asjes. Het grenst aan het ongelofelijke wat ik met deze toch redelijk beperkte hoeveelheid LEGO – alles paste precies in één pastic gereedschapsbak – heb gespeeld, waarbij uitsluitend dingen werden gemaakt die konden bewegen en draaien. Op een gegeven moment heeft mijn vader bij CORRECT in de Zaagmolenstraat
een GRUNDIG bandrecorder gekocht. Voorafgaande aan de koop zijn mijn vader en ik een keer gaan kijken en mijn vader heeft zich toen over de bandrecorder laten informeren. De verkoper heeft toen de bandrecorder gedemonstreerd en zelf een stukje opgenomen waarop dus de stemmen van hem, mijn vader en mijzelf te horen zijn. De band hebben we cadeau gekregen en hoewel alle banden altijd heel intensief zijn gebruikt, heeft
dit geluidsfragment alles overleefd. De bandrecorder is waarschijnlijk begin 1968 gekocht zodat dit het
oudste geluidsfragment is dat ik van zowel mijn vader (hij was toen 40), als mijzelf (6 jaar) heb. Op dezelfde band staat
ook het eerste geluidsfragment van mijn één jaar jongere zus Irene, opgenomen enkele dagen later.
De
bandrecorder stond in de voorkamer op de grond naast de televisie terwijl de microfoon over de televisie hing voor de luidspreker. Mijn vader had de gewoonte om als er op zaterdagavond een “Zwiebertje” of “Ja Zuster, Nee Zuster” op televisie was, het geluid hiervan op te nemen. Als wij als kinderen dan op zondagochtend beneden kwamen, spoelden we de band terug en luisterden we de opname nog één of meerdere keren af, terwijl ik meestal met LEGO aan het spelen was. Die gewoonte breidde zich steeds verder uit, zodat ik uiteindelijk de gewoonte heb ontwikkeld om bij knutselkarweitjes – of dat nu voor de hobby of voor het werk is – het geluid van een film “aan te hebben staan.” Nog steeds is dat af en toe een Zwiebertje, maar het repertoire is vandaag de dag uitgebreid met: Harry Potter, Jack de Ripper, Sherlock Holmes, Morse etc. ect. Het is voor mij de ultieme vorm van ontspanning, geborgenheid en geluk.
Figuur xx Links, de DG7-32 uit het originele ELECTOR schema en de RCA 913 die mijn vader voor dit ontwerp in gedachten had.
Rechts, de gegevens van de RCA 913 die mijn vader op een
lege pagina in een buizenboekje had genoteerd.
Zoals al eerder vermeld had mijn vader aan de oorlog een obsessie voor kleine draagbare radio’s overgehouden. Een kleine draagbare televisie was natuurlijk helemaal het einde! Op een gegeven moment had mijn vader bij de Shell de hand weten te leggen op een piepklein RCA 913 kathodestaal buisje, met een 1 inch diameter schermpje. Vandaag de dag is het vrij gemakkelijk om via het internet aan een datasheet van dit buisje te komen, maar dat was vroeger natuurlijk wat moeilijker. Toch is het mijn vader op de één of andere manier gelukt, want in het
Philips Halfgeleiders en Elektronenbuizen boekje 1966/1967 heeft hij de belangrijkste gegevens van het buisje met de hand genoteerd.
De illustraties bij het TELETOR artikel in Elektuur straalden een uitnodigende gezelligheid uit die geheel in de stijl was van
bijvoorbeeld Radio Bulletin uit die tijd. Klik hier om het bijbehorende schema met aantekeningen van mijn vader te bekijken,
of Klik hier om het hele artikel in pdf fomat te lezen.
Eind 1965, begin 1966 verscheen er in elektuur een
serie artikelen waarin de TELETOR werd gepresenteerd, een zelfbouw TV’tje met slechts 13 transistoren. Het toestelletje gebruikte een DG7-32 als beeldbuisje en had geen geluid. Het was een getransistoriseerde versie van “De Slechtste TV-Ontvanger” die Elektuur september 1962 publiceerde, en die het naast de DG7-32 met slechts zeven buisjes moest doen. Het was uiteraard de bedoeling van m’n vader de TELETOR aan te passen voor het RCA 913 buisje. Hij is jammer genoeg niet veel verder gekomen dan de voeding en de instelling voor het buisje. Mijn allereerste herinnering van na de verhuizing van de zolder op de Bergweg naar de eerste verdieping, is die van mijn vader die aan de eettafel zat te knutselen aan een bouwsel op een plaatje Vinidor, waarop de RCA913 in een terryklem was bevestigd met het voetje in een stukje gaatjesprint. Naast het buisje stonden de twee voedingstrafo’s. Het is helaas gebleven bij een klein stipje op het schermpje, maar als kind vond ik dat al fantastisch. Waarschijnlijk kwam het project ten einde omdat mijn vader in de gelegenheid kwam een echt draagbaar TV’tje te kopen.
Figure xx. Twee keer de trots van mijn vader, links het
Sharp TRP-803 toestelletje dat hij grotendeels
zelf in elkaar heeft geknutseld, en rechts het STANDARD SR3 toestelletje.
Ik weet niet precies hoe of wat, maar op een gegeven moment ben ik met mijn vader op bezoek geweest bij iemand die woonde in een zijstraat van de Kleiweg in Hillegersberg. Daar kocht mijn vader een doos met daarin een aantal printen en andere onderdelen die samen een draagbaar SHARP TV’tje moesten zijn. Als bonus kregen we er een getransistoriseerde babyfoon en oplaadbaar zaklantarentje bij. Mijn vader is tijden bezig geweest om het
TV’tje weer in elkaar te puzzelen.
Dat ging niet van een leien dakje, sommige onderdelen ontbraken en andere waren kapot. Na een tijdje had mijn vader een heel doosje met Japanse TO-3 vermogens transistoren voor de lijn afbuiging. Toch heeft hij het voor elkaar gekregen. Na verloop van tijd werkte het toestelletje prima. Het is bij dit soort dingen dat ik met de meeste genegenheid aan mijn vader terugdenk. Als een kind was hij bezeten van iets, maar zoals altijd ontbrak het geld om iets goeds te kopen. Zonder de benodigde meetapparatuur en met eigenlijk maar een beetje kennis wist hij toch dankzij zijn doorzettingsvermogen en intuïtie zijn doel te realiseren. Achter op het toestelletje zat een soort bakje waarin oorspronkelijk twee loodaccu’s waren geplaatst. Omdat ze toch al defect waren werden de accu’s vervangen door een kleine UHF tuner die van v.d. Mijde afkomstig was. In de halfgeleidergids van 1966 vond hij een
schema voor een gestabilisserde voeding voor 12V
die hij wilde gebruiken om het TV’tje te voeden. Het werd in een appart kastje ondergebracht. Blijkbaar had hij een probleem om het aan de praat te krijgen, want ik herinner me nog hoe mijn vader het schema besprak met een verkoper bij van Dam in de Snellemanstraat, die toen voorstelde de zenerdiode in het circuit anders te monteren. Geen goed advies lijkt me als ik het schema zo nog eens bekijk. Uiteindelijk werd het dan ook een gewone
ongestabiliseerde voeding die prima voldeed.
Het toestelletje ging mee op vakantie en ik weet nog als de dag van gisteren dat ik op de vroege ochtend van 20 juli 1969, terwijl we op vakantie waren in Putten, met mijn vader naar ruiserige beelden heb zitten kijken van hoe de mens voor het eerst voet op de maan zette. Ik zit nu deze woorden te schrijven en heb vanmorgen de foto’s van het toestelletje gemaakt op 19 juli 2009, op één dag na exact veertig jaar later! Een paar jaar later, maar nog voor de verhuizing naar Moerdijk, het zal dus 1971 of 1972 zijn geweest, zag mijn vader in een etalage van een winkel aan het Pijnackerplein één van de allerkleinste TV’tjes met een KSB die ooit zijn gemaakt: de SR3 van STANDARD. Het is een minuscuul toestelletje van ongeveer 20x20x10cm en kostte destijds 500 gulden wat overeenkomt met 820 euro vandaag de dag. Eigenlijk was het geld er niet, maar het toestelletje kwam er toch, zeer tot ongenoegen van mijn moeder. Het is tot aan de dood van mijn vader zijn meest kostbare bezit geweest en zelfs vandaag de dag speelt het nog zonder problemen.
Op een gegeven moment kreeg mijn oudste neefje Jan een elektronische experimenteer doos van zijn ouders, tante Herma en oom Ies. Volgens mij was het een
EE20 doos van Philips, waarbij de EE stond voor Electrical Engineer. Dat was wat! Een doos waarmee je tientallen schakelingen kon maken, zoals radio’s, knipperlichten, seintoestellen en zelfs dingen waarvan ik geen flauw idee had wat het was, zoals een RC meetbrug. Het spreekt vanzelf dat ik als kind helemaal weg was van zoiets. Maar die EE dozen waren duur en hoewel we thuis nooit armoede hebben gekend – verre van dat – zat een dergelijk duur cadeau er gewoon niet aan. Ongeveer tegelijkertijd zagen we in de
etalage van Aurora Kontakt op de Hoogstraat een
elektronica experimenteer doos die bestond uit blokjes met een magneetje in de onderkant die op een metalen aard/bodem plaat geplaatst konden worden. Dit zag er nog mooier uit, maar was ook nog veel duurder.
Figure xx. Links, de LDR in het Meon fittinkje en rechts, enkele van de veertjes voor de “zelfbouw EE doos”
die mijn vader met veel geduld met de hand heeft gebogen.
Op één of andere manier ben ik op een gegeven moment wel in het bezit gekomen van het instructieboekje van de EE20 doos. Het was een geweldig boekje gedrukt op glad glanzend papier in A5 “landscape” formaat. Ik heb het nog steeds. Mijn vader had het idee gekregen om zelf zo’n doos na te maken. De “bouwplattegronden” van Jan had hij op het werk al gekopieerd. De weerstandjes en condensators hadden we zelf wel en een paar transistoren waren ook niet zo duur. Het moeilijkste waren de speciale veertjes waarmee de onderdelen met elkaar werden verbonden in de originele Philips dozen. Om toch iets te hebben is mijn vader toen denk ik een dag (onder werktijd!) bezig geweest met het ombuigen van stukjes paperclip (Fig. xx). Het idee was dat de beugeltjes door de gaatjes van een stukje pertinax-gaatjesprint konden worden gestoken, waarna de draadjes van de onderdelen door een veertje in het oogje op hun plaats werden gehouden. Het was een mooi idee en ik raak nog steeds diep vertederd als ik er aan denk hoeveel moeite hij er voor heeft gedaan, maar het systeem werkte niet echt lekker: het oogje was zo klein dat er maar twee draadjes doorpasten en bovendien waren de stukken pertinax ook niet echt ruim bemeten. We hebben toen besloten het allemaal wat volwassener aan te pakken. Op een langwerpig stuk spaanplaat monteerde mijn vader drie strips kroonsteentjes en houders voor twee platte (4.5V) batterijen. Haaks op het stukje spaanplaat kwam een frontplaatje van hardboard met daarin een paar schakelaars en een potentiometer. Het werkte wel leuk, maar toch heb ik er niet heel veel mee gespeeld in mijn herinnering. Het probleem was een beetje dat een aantal belangrijke onderdelen zoals de ferrietstaaf met spoel en de hoogohmige luidspreker ontbraken waardoor het repertoire van schakelingen dat gemaakt kon worden nogal beperkt was. Wat ik wel had was een lichtgevoelige weerstand, een LDR. Zo’n LDR had dunne draadjes en om nou te voorkomen dat die draadjes na een paar keer heen en weer buigen af zouden breken, had mijn vader er één in een fitting voor neon lampjes gemonteerd, zodat ik de LDR nu met een schroefklemmetje kon aansluiten. Ik zie hem het ding nog uit zijn zak halen toen hij uit zijn werk thuiskwam. Dit was nou echt mijn vader op zijn best: met veel handigheid uit niets iets weten te maken. Al met al heb ik er heel veel van geleerd.
Tijdens één van onze zaterdagochtendwandelingen als we net vanuit de Zaagmolenstraat het Zwaanshals zijn ingewandeld, wordt mijn vader plotseling onwel. Het wordt zwart voor zijn ogen en hij is zo duizelig dat hij zich aan een deurpost moet vasthouden. Even later gaat het wel weer en geschrokken maken we onze wandeling af. Nog dezelfde dag gaat hij naar de dokter, die hem dezelfde dag, of enkele dagen later, ter observatie laat opnemen. Tegenwoordig moet je heel wat hebben wil je in het ziekenhuis belanden, maar vroeger waren ze daar wat makkelijker in. In het ziekenhuis hebben ze helemaal niets kunnen vinden. Achteraf denk ik dat hij gewoon een beetje bloedarmoede of last van hyperventilatie heeft gehad, maar desondanks heeft hij toen toch één a twee weken in het ziekenhuis gelegen. Nou was mijn vader ook wel iemand die dit soort dingen maximaal wist uit te buiten. Mijn vader had vroeger ook nooit een pààr daagjes griep. Nee, dat duurde altijd twee weken, want ‘voor een goeie griep staat twee weken,’ zei hij altijd. Het bleef daarom ook niet bij een weekje ziekenhuis. Op een of andere manier heeft hij de oorzaak van de duizelingen weten te schuiven op overspannenheid, en heeft hij het voor elkaar weten te krijgen dat hij een week of zes in een (ongetwijfeld Christelijk) herstellingsoord heeft kunnen verblijven. Dat herstellingsoord heette
“de Decanijen” en lag helemaal in Vorden. We zijn er een paar keer op bezoek geweest. Aangezien mijn moeder geen rijbewijs had, was dat een hele toer. Met de trein moest je wel drie keer overstappen, waarbij het laatste stuk met een boemeltreintje werd afgelegd. De Decanijen was een oud landhuis, en “de patiënten” hadden er ieder een eigen kamertje, een soort cel. Ik denk dat hij het heerlijk vond om een aantal weken weg te kunnen zijn van het werk en een gezin met drukke kinderen. ‘Kon die fijn denken,’ zei mijn moeder later altijd. Mijn vader is altijd nogal goed geweest in “ingebeelde ziektes.” Als er in een bijsluiter van een medicijn stond dat je er van kon gaan vliegen, kon je er gif op innemen dat hij een uurtje later voorbij kwam fladderen. Het gevolg was wel dat hij mijn moeder gewoon met twee kinderen alleen liet zitten al die weken. Oma v.d. Berg had het allemaal wel door; later heeft zij wel eens verteld hoe ze op de Bergweg achter een boom stond te kijken hoe we met z’n drieën vertrokken op ziekenbezoek naar Vorden.
Figure xx. Na de dood van mijn vader in 2000 hebben we in zijn portefeuille deze afscheidsbrief van mijn vader gevonden.
De brief was oorspronkelijk gericht aan mij hoewel Ireen er in een later stadium aan toe is gevoegd, en is gedateerd 12 april 1966,
ik was toen 5 en mijn vader zou nog ruim 35 jaar leven! Het is een vreemd idee dat de serie foto’s die we tijdens één van onze
wandelingen in een pasfotoautomaat hebben gemaakt uit die periode stammen.
Klik hier voor een grotere versie van de brief.
Uit dezelfde periode stamt ook een aan mij gerichte
afscheidsbrief die we na de dood van mijn vader tussen zijn papieren vonden. Het is een brief die nogal wat verhalen vertelt. Ten eerste moet je wel erg zwaar op de hand zijn om zo’n afscheidsbrief te schrijven als je op een duizeling na verder kerngezond bent. Verder is de brief eigenlijk alleen aan mij gericht en is hij Ireen kennelijk helemaal vergeten. Het is duidelijk dat de naam van Ireen er later bij is geschreven. Verder is het ontroerend te lezen hoe intens gelovig mijn vader was en wat een toch kinderlijk Godsbeeld hij had. Al even ontroerend is het om te lezen hoe trots hij op mij was en hoeveel vertrouwen hij in me had, ik was tenslotte nog geen vijf.
Figure xx. Een paar indrukken uit “Handige Bob.” Merk op hoe de zaak van de radiohandelaar uit Handige Bob lijkt op de zaken
van
v.d. Embden of die van
ELRA uit die tijd. Klik hier om naar mijn webpagina over “Handige Bob” te gaan.
In de periode dat mijn vader tot rust kwam in de Decanijen had ik het boekje van “Handige Bob” ontdekt. Mijn vader moet dit boekje in zijn militaire diensttijd hebben gekocht en waarschijnlijk net als mijn vader was ook ik volledig gebiologeerd door de romantiek van het “technische beeldverhaal.” Op aanwijzingen van mijn vader via de telefoon vond ik in zijn kastje de Mu-402 spoel die nodig was om de kristalontvanger van Bob te bouwen. Het enige wat nog volgens de onderdelenlijst ontbrak waren twee “entree’s.” Ik had geen idee wat dat waren, maar ik ben ze wel met mijn moeder bij v.d. Embden gaan kopen (bij Gijs Siepman, ik weet het nog goed). Met de verwarming als aarde en de TV antenne (die in die tijd nog gewoon op het dak stond) als antenne deed het ontvangertje het heel redelijk, en ik was erg trots dat ik dat helemaal zelf voor elkaar had gekregen.
In de periode hierna ben ik veel met radiootjes en ontvangertjes bezig geweest, waarbij een heel oud exemplaar van “Jongens Radio” een beetje het voorbeeld was.
Er was uit het buizen tijdperk nog een hele berg onderdelen over die mij bovenmate fascineerde. Zo was er een uitgebreide collectie ballonbuizen, waarvan sommige nog met een top rooster aansluitingen p-voet, waren er
AMROH Uniframe chassis delen, maar ook een enorm radiochassis dat nog van opa Dekker was geweest, transformatoren etc. Een beetje in navolging van de schema’s in “Jongens Radio” probeerde ik hiervan een één-lamps ontvanger te maken. Voor de hoogspanning gebruikte ik aanvankelijk een setje
22V hoorapparaatbatterijtjes die we nog hadden liggen. Later deed een transformator dienst die omgekeerd werd gebruikt, d.w.z. dat ik beginnende met een laagspanning uit mijn ERRES bus-transformator de laagspanning optransformeerde naar een hoogspanning. Ik had het idee dat dat minder gevaarlijk was. Dat was natuurlijk ook wel zo, maar je kon er toch een flinke optater van krijgen, wat maar weinig
gebeurde. Bij werken met hoogspanning, altijd één hand in de zak houden, had mijn vader me geleerd. Al prutsende ontdekte ik dat die buizen het ook nog heel aardig deden op een spanning van slechts 12V. Radiobuizen
waren leuk, niet alleen vanwege hun mooi oplichtende gloeidraad, maar ook omdat ik in tegenstelling tot transistors kon begrijpen hoe ze werkten. Mijn vader had met buizen maar weinig op en vond ze grote stroom verslinders. Desondanks liet hij me altijd rustig mijn gang gaan. Mijn vader had de fantastische eigenschap om, tenzij ik uitdrukkelijk om zijn
hulp vroeg, mij maar een beetje aan te laten rommelen met mijn
knutseldingen. Daardoor heb ik veel zelf moeten ontdekken wat erg goed voor mij is geweest. Ik merk bij mijzelf dat als bijvoorbeeld Daan iets wil knutselen, ik de neiging heb het hem veel te makkelijk te maken door alles voor te kauwen en in hap-klare brokken voor hem klaar te zetten. Dat helpt niet echt om van iemand een echte prutser te maken. Al dat knutselen deed ik voornamelijk op mijn eigen kamertje boven op zolder. Ik had een eigen soldeerboutje en ik had zelfs toen al een eigen TV op mijn kamer. Het was een stokoude Philips TV waaronder mijn vader pootjes had geschroefd, die alleen de VHF band kon ontvangen (Ned. 1).
Waar ik altijd heel erg veel plezier aan heb beleefd was de Philips-buizenradio
die vroeger van mijn ouders was geweest toen ze nog op zolder woonden, maar die inmiddels was afgedankt en nu op mijn kamer stond. Van een tekendoos en een los pick-up loopwerk had mijn vader een simpele pick-up gemaakt, waarop Ireen en ik kinderplaatjes speelden, waarbij de radio als versterker werd gebruikt. Het mooie van de radio was namelijk dat hij een aparte grammofoon-ingang en luidspreker-uitgang had. Met een aparte luispreker op de kamer van Ireen was er een echte studio van te maken.
Figure xx. Een door mijn vader gemaakt ladertje voor DEAC en NiCd cellen.
Al vrij snel nadat we van de zolder naar de beneden verdieping waren verhuisd kwamen mijn ouders in de gelegenheid het pand aan de Bergweg te kopen. Ik meen zelfs dat ze het wel moesten kopen, omdat het pand anders in handen kwam van andere eigenaren, waardoor het onzeker werd of we het nog wel konden huren. Hoe dan ook, op een gegeven moment hebben mijn ouders het gekocht. Dat was wat in die dagen. Mijn vader is er later altijd prat op gegaan dat hij als eerste in de familie een eigen auto had en ook dat hij als eerste een eigen huis had gekocht. Ik weet nog dat we van de notaris terug kwamen en hoe hij voor de grap zijn armen over de voordeur uitspreidde en riep, ‘Alles van mij, alles van mij.’ Mijn vader heeft op de Bergweg, in de avond uren, heel veel geklust. Een enorm project was het aanleggen van centrale verwarming op zowel de eerste verdieping als de zolder. Tot we centrale verwarming kregen stond er in de voorkamer een enorme kolenkachel. In de slaapkamer stond er ook één, maar die was nooit aan. De keuken werd in de wintermaanden warm gehouden met een elektrisch kacheltje. Naast de kachel stond een “kolenkit” die kon worden bijgevuld uit de voorraad kolen die in de kelder lag onder het luik achter de voordeur. Met gehuurd gereedschap (o.a. “een pijpenbuigijser”) is hij maanden bezig geweest om in alle kamertjes radiators op te hangen. Heel bijzonder was dat hij toen al in alle kamers zogenaamde “Danvos” knoppen gebruikte, die zelf de temperatuur regelen en die voor die tijd heel modern waren. Wel liet hij altijd alle rotklusjes, zoals het schuren en verven van de radiators en leidingen en het opruimen van de rommel aan mijn moeder over. Toen mijn vader op een gegeven moment druk met platen hardboard in de keuken in de weer was en mijn moeder vroeg, ‘kan ik ergens meer helpen,’ snauwde mijn vader terug ‘ja, je mond houden!’ In de woonkamer kwamen verder de toen onvermijdelijke schrootjes tegen de muur, en tegen de muren in de gang en keuken kwamen platen spaanplaat en hardboard. Het slotstuk was de renovatie van de trap, die bestond uit een schrootjes-lambrisering en vervanging van de loper met roetjes door vaste gelijmde vloerbedekking. De trap was nog geen week klaar, toen ik op een middag in december beneden in de deuropening met sterretjes aan het spelen was. Ik had een mooi sterretje aangestoken en riep naar boven dat mijn moeder eens moest komen kijken, toen de gloeiende punt van het sterretje afbrak en een groot gat midden in de vloerbedekking van de tweede of derde tree van de trap brandde. Toen mijn vader later op die avond thuis kwam was het eerste wat hij zag een groot zwart gat in zijn mooie nieuwe trap. Hij is niet erg boos geworden, maar heeft wel nog voor het avondeten de vloerbedekking op die tree vervangen.
Figure xx. UHF antenneversterkertje van mijn vader. Veertig jaar geleden zat de AF transistor er nog in en glom het blik nog mooi.
In de laatste jaren voordat we naar Moerdijk verhuisden hadden mijn vader en ik redelijk wat “gezamenlijke knutselprojecten.” Op de één of andere manier hield dat na de verhuizing vrij abrupt op. Waar zowel Ireen als ik veel plezier aan hebben beleefd was een matrix display met lampjes. Hoe
we er toe kwamen weet ik niet; ik denk dat het idee was ontstaan door iets wat we op één van onze wandelingen naar het Zwaanshals hadden gezien, maar het was in ieder geval in één zaterdagmiddag in elkaar gezet. Het bestond uit een stuk gaatjes hardboard op een houten frame waarin mijn vader een matrix van 3x4 fietsachterlichtjes had gemaakt. Ieder lampje kon aan of uit worden gezet door een schakelaar in drie blokken met ieder vier schakelaars die uit elektrische kacheltjes kwamen. Het geheel werd uiteraard weer gevoed door de bustransformator. Je kon er alle cijfers en veel letters mee maken en het was eindeloos leuk. Het zal vrij kort voor de verhuizing naar Moerdijk zijn geweest toen mijn vader van het werk een setje “top-view” NIXIE buisjes mee nam. We hadden ze kortetijd daarvoor al in werking gezien bij van Dam in de Snellemanstraat, maar om ze werkelijk in handen te hebben was toch wel iets heel bijzonders. Om er mee te kunnen spelen had mijn vader een voetje voor de buisjes in een oud houten sigarenkistje gemonteerd. De anode van de buisjes werd met een 100K weerstand verbonden met de “hete kant” van de 220V. De kathodes waren verbonden met tien schroefjes in de deksel van het doosje. Door nu een van de schroefjes aan te raken lichte er, net zoals bij een spanningszoeker, een cijfer op.
Een van de leukste dingen van het schrijven van een stukje zoals dit, is dat je zo met het verleden bezig bent dat je je plotseling dingen herinnert die je helemaal vergeten was. Zo was ik totaal vergeten dat mijn vader en ik op een gegeven moment een experimenteervoeding hebben gemaakt. Mijn vader had ergens een oude metalen instrumentenkast weten te ritselen met de bedoeling er de Teletor ontvanger met een DG7-32 buisje in te maken. Inmiddels had hij echter al het SHARP toestelletje gekocht zodat de kast over was. Het was een eenvoudige voeding met een AMROH trafo een bruggelijkrichter en een hele dikke afvlak elco. We zijn het grootste gedeelte van een zaterdagmiddag bezig geweest met het boren en zagen (met figuurzaag) van gaten in de dikke aluminium frontplaat voor de stekkerbussen en een mooie grote draaispoelmeter. Met een drie standen schakelaar kon de spanning worden ingesteld en een thermische drukknop zekering deed dienst als kortsluitbeveiliging.
Nog een paar projectjes spoken door mijn hoofd die ik hier toch nog even kwijt wil. In juni 1972 publiceerde Elektuur een
“bliksembarometer.” Het was een schakeling die met een afgestemde spoel op 10 kHz een bliksem detecteerde waarna vervolgens m.b.v. een draaispoelmeter kon worden bepaald hoever het onweer verwijderd was. We hebben er bij v.d. Embden de benodigde transistors voor gekocht en het
vervolgens op een stuk gaatjes print opgebouwd. Uiteraard werd het op een plankje met een multiplex frontplaatje gemonteerd. Het werkte wel een beetje, alhoewel ik nooit precies heb begrepen hoe je er nu de afstand tot een onweersbui mee kon bepalen. Bij de laatste verhuizing is de bliksembarometer tenslotte “gesneuveld.” De spoel die mijn vader zelf had gewikkeld heb ik nog, en uit nostalgie heb ik de schakeling laatst nog weer eens een keer gebouwd.
Ik had intussen ook ontdekt wat een oscilloscoop was, en bedacht dat het wel leuk was zoiets zelf te maken. Haaks op een plankje werd een mulitplex plaatje gemonteerd (à la Handige Bob) waarin ik een gat had gezaagd voor het miniatuur RCA buisje met rechts daarvan 4 potmeters uit een oude Philips TV. Met behulp van mijn vader heb ik het zover weten te krijgen dat ik een stipje op het schermpje had. Aan de afbuigplaten hadden we twee dikke condensatoren bevestigd. Door die aan te raken kon het stipje bewogen worden. Levensgevaarlijk allemaal, maar toen keken we niet zo nauw!
In 1971 werd de Victoria bioscoop gesloten en werd het pand gekocht door Radio Correct. Na een grondige verbouwing verhuisde Correct vervolgens vanuit de Zaagmolenstraat naar de Bergweg. Uiteraard had Correct aan de voorzijde van de winkel grote etalages laten maken, waar tot grote ergernis van mijn vader de hele avond en nacht felle neon reclame knipperde en muziek werd gedraaid. Voornamelijk ik had hiervan last; ik was destijds een slechte slaper en omdat onze slaapkamertjes aan de voorkant van het huis waren had ik veel last van het knipperende licht en de muziek. Mijn vader had een stuk hardboard gemaakt dat voor mijn raam kon worden geplaatst, maar dat was ‘s zomers geen geweldige oplossing. De ergernis woekerde in mijn vaders hoofd en nam dusdanige proporties aan dat er maar één uitweg voor hem was: verhuizen! Op een gegeven moment deed zich bij de SHELL een mogelijkheid voor die dat mogelijk maakte. SHELL had een geheel nieuwe fabriek gebouwd op een nieuw industrie terrein bij Moerdijk en men zocht werknemers die bereid waren vanuit Pernis naar Moerdijk te verhuizen.
Ik geloof niet dat behalve mijn vader, iemand zat te wachten op een verhuizing. In 1973 was ik van de lagere school afgekomen en was ik in september begonnen in de brugklas van de MARNIX scholengemeenschap aan het Henegouwerplein. Ik was van de lagere school afgekomen met een MAVO schooladvies. Op het MARNIX kwam je dan, in tegenstelling tot het idee achter de brugklas, automatisch in een klas terecht waar je al was voorgeselecteerd voor de MAVO. Je moest wel heel goede cijfers halen wilde je na de brugklas naar de HAVO kunnen. Ik vond het op de middelbare school vreselijk. Ik had moeite met het huiswerk maken en voelde me op school vaak verloren en ontheemd. Het feit dat de school over drie gebouwen verspreid was maakte dat er niet minder op. Bovendien zat er op de school nogal rauw volk; zelf in die tijd circuleerden er al sex boekjes in de klas! Naast school was ik ongeveer een jaar voordat ik van de lagere school afkwam
lid geworden van een scouting club (Albert Schweitzer), of zoals we toen zeiden padvinderij. Daar is heel wat overredingskracht van met name mijn vader voor nodig geweest. Net zoals nu vond ik het toen heel angstig om iets nieuws te ondernemen. Maar mijn vader bleef volhouden hoe leuk padvinderij was en uiteindelijk men ik gezwicht. Wonder boven wonder vond ik het inderdaad na een aantal keer best leuk. Speciaal de kampen vond ik geweldig. Het was voor mij de eerste keer dat ik langere tijd van huis weg was en bovendien was het mijn eerste kampeer ervaring. Op de lagere school werd ik veel geplaagd, om mij wat weerbaarder te maken heb ik zelf een tijdje op Judo gezeten. Op padvinderij was dat niet het geval. In tegendeel, ik ontdekte dat ik grapjes kon maken en dat de mensen dat wel leuk vonden. Nu ik daar een plekje had waar ik het wel naar mijn zin had vond ik het eigenlijk helemaal niet leuk om te moeten verhuizen.
Ik herinner me nog heel goed hoe mijn vader in de keuken op de Bergweg ons de voordelen van het leven op het platteland probeerde te schetsen. Hij fantaseerde werkelijk over een soort boerderijtje met een moestuin waar we onze eigen groenten konden verbouwen! Daar is later natuurlijk helemaal niets van terecht gekomen. Het is achteraf gezien verbijsterend hoe makkelijk mijn vader een riant huis, waarin hij zoveel had geklust, wild op geven voor een vage droom over het buitenleven. Op een zeker moment is mijn vader daadwerkelijk overgeplaatst van Pernis naar Moerdijk en heeft hij zeker een halfjaar, maar misschien wel langer met de trein op en neer gereisd; eerste met de tram naar het centraal station, dan met de trein naar station Lage-Zwaluwe en dan tenslotte met een speciale forensen bus naar de SHELL fabriek. Omdat het reizen vermoeiend was werd er met enige spoed gespeurd naar een geschikte woning in de buurt van Moerdijk. Hoe dat precies in zijn werk ging weet ik niet meer, maar we zijn zeker een keer met zijn allen naar huisjes wezen kijken en ik kan nog zo de plek tussen Zevenbergen en Breda aanwijzen waar we toen hebben zitten picknicken. Het vinden van een huisje viel nogal tegen en mede door de tijdsdruk viel de keuze uiteindelijk op een nogal eenvoudig huisje aan de Steenweg in Moerdijk.
| to top of page | back to homepage |
De meeste mensen gaan er “een beetje op vooruit” als ze verhuizen, althans dat is toch meestal de bedoeling. Helaas kan dat met de beste wil van de wereld niet gezegd worden van onze verhuizing naar Moerdijk. Het huisje was een oude boerderij gelegen aan de Steenweg op nummer 6 onderaan een afrit van de snelweg van de A16 naar Roosendaal. Als er een auto de afrit afkwam was de hele woonkamer verlicht. Je kon er op wachten tot een vrachtwagen waarvan de chauffeur zat te suffen een keer het huis binnen zou rijden,
iets wat ook daadwerkelijk is gebeurd, toen we een paar jaar later verhuisd waren naar de Julianastraat. Aan de andere kant van de snelweg, onder het viaduct door, woonde de Romme’s, twee broers die een boerderij hadden. Links van het huisje, op ongeveer 100 meter afstand was wegrestaurant Kanters, waar het altijd een komen en gaan was van enorme vrachtwagens die een oprit naar het parkeerterrein op en af reden dat aan het eind van ons stukje grond langs de Steenweg lag. Aan de overkant van de weg, min of meer recht tegenover Kanters en dus ook recht tegenover de afrit van de A16 ,woonde in een even triest huisje de familie Koevoet die kinderen hadden van onze leeftijd en waar we af en toe mee speelden. De Steenweg zelf leidde naar Moerdijk.
Figure xx. Steenweg 6, Moerdijk. Deze foto’s zijn genomen door mijn vader toen hij samen met mijn moeder
naar het huis was wezen kijken zodat ze het huis aan Ireen en mij en opa en oma konden tonen.
Klik hier voor meer foto’s.
Het huisje zelf was zoals al gezegd een oude boerderij die aanvankelijk had bestaan uit een woonhuisje met daarnaast een schuur of stal. Op een gegeven moment is er achter het huisje een stuk aangebouwd wat wij “de deel” noemden en wat het woonhuis met de schuur verbond. Het huisje was zo klein, dat oma van den Berg het “het sprotje” noemde. Een naam die het voor ons altijd heeft gehouden. Het huis was zowel aan de buiten- als aan de binnenkant behoorlijk verwaarloosd en moest voor we er naar toe konden verhuizen eerst worden opgeknapt. Het huis op de Bergweg leverde naar ik meen ongeveer 80.000 gulden op, terwijl het huisje in Moerdijk maar ongeveer de helft kostte. Er was dus gelukkig wat geld om het een en ander te laten doen. Hoewel mijn vader op de Bergweg alles zelf had gedaan, zag hij er nu – ik denk ook mede door de afstand – geen gat in. De woonkamer werd voorzien van gipsplaaten en de onvermijdelijke schrootjes. Ook werd er in het hele huis centrale verwarming aangelegd. Omdat we op de Steenweg geen gas hadden werd er hiervoor in het stukje land dat we naast het huis hadden een enorme olietank in de grond geplaatst. Het is heel bijzonder dat terwijl ik deze woorden schrijf (12 aug. 2009) ik in de trein van Eindhoven naar Delft zit en op dit moment de Steenweg passeer. Van het huisje is vanuit de trein niets meer te zien omdat een hoge rij bomen tegenwoordig het zicht erop ontneemt.
December 1973 zijn we daadwerkelijk van de Bergweg naar Moerdijk verhuisd. Ik was toen ziek en ik weet nog hoe ik liggend vanuit bed in de slaapkamer van mijn ouders lag te kijken hoe de verhuizers in de voorkamer dozen met een touw vanaf het balkon naar beneden lieten zakken. Op een gegeven moment zie ik een verhuizer mijn oscilloscoopje op een doos zetten met de bedoeling om er een touw omheen te binden en het dan zo vanaf het balkon naar beneden te laten verdwijnen. Gelukkig kon ik dat nog net op tijd voorkomen. De hele verhuizing is voor mijn moeder een nachtmerrie geweest waar ze denk ik tot op de dag van vandaag nog over droomt. Pas de laatste jaren is mij duidelijk geworden hoe vreselijk ze de overgang van Rotterdam naar Moerdijk heeft gevonden. ‘In Rotterdam had ik een echt mooi huis, dat huis in Moerdijk was gewoon een krot!’ geeft ze nu toe. Ook de verandering van omgeving was enorm. In Rotterdam woonden we midden tussen de gezellige winkelstraten waar alles bij de hand was en waar opa en oma om de hoek woonden. In Moerdijk was, in vergelijking met Rotterdam, helemaal niets! Gelukkig namen opa en oma telefoon, zo dat we ze in ieder geval nog konden bellen. Als ik me in de situatie probeer in te leven, kan ik me heel goed voorstellen hoe radeloos en verloren mijn moeder zich moet hebben gevoeld. Mijn vader zat de hele dag leuk op zijn werk, wij zaten op school en zij zat in dat krot. De schuur was de plaatst waar alle niet uitgepakte dozen werden neergezet. Alles wat van mijn vader was – en dat was nogal wat – verdween naar de zolder van de schuur die via een opklapbare trap bereikbaar was. Al die dozen bleven ingepakt en mijn vader heeft zelf nooit ook maar de geringste poging ondernomen om dan ook maar iets uit te pakken of op te ruimen. Toen we een paar jaar later van de Steenweg naar de Julianastraat verhuisden, zijn al die dozen direct van de zolder van de schuur naar de garage in de Julianastraat verdwenen waar ze ook verder nooit uitgepakt zijn.
Figure xx. Het Ignatius Ziekenhuis in Breda waar ik in 1974 10 weken heb gelegen met een geperforeerde blindedarm.
In de zeven jaar daarna zou ik hier iedere dag in een schoolbus langs komen.
Het is de verdienste van mijn moeder geweest dat we nooit iets van haar wanhoop hebben meegekregen. Als kind hadden we al die dingen helemaal niet zo in de gaten. Bovendien waren er voor ons ook een hoop leuke en nieuwe dingen, zo hadden we voor het eerst een tuin en we kregen een konijn en er kwam zelf een brommertje voor mijn moeder, die daar overigens nooit op gereden heeft, maar waar ik fijn mee naast het huis kon crossen; wel was het jammer dat opa en oma zo ver weg woonden. Voor Ireen betekende de verhuizing dat ze halverwege het schooljaar “De Juliana van Stolbergschool” moest verruilen voor “De School met de Bijbel,” waar ze omdat ze “van buiten kwam,” heel erg gepest werd. Ik heb het schooljaar in Rotterdam afgemaakt zodat ik elke dag met de fiets naar station “Lage Zwaluwen” moest (fiets bij Buijs) en dan de trein nam naar Rotterdam Centraal, waarna nog een wandeling naar school volgde.
In die tijd verschenen de eerste elektronische rekenmachines in de winkels. Ze waren aanvankelijk eerst voor professioneel gebruik, maar desondanks was ik er helemaal weg van.
Het is vandaag de dag, nu zak-rekenmachientjes een wegwerp artikel zijn geworden, bijna niet meer voor te stellen hoe bijzonder zo’n klein elektronisch rekenenwonder destijds was. In de buurt van het MARNIX was een winkel in kantoorbenodigdheden en ik liet natuurlijk geen gelegenheid verloren gaan om mij daar in de etalage aan die wondertjes van techniek te vergapen. Bij elke Vroom en Dreesman hadden ze in die jaren bij de “pennen en papier” afdeling een toonbank waarop op een schuine plank het assortiment aan rekenmachientjes was bevestigd, zodat je die zelf kon uitproberen. Uren heb ik hier doorgebracht, met name een paar jaar later toen de eerste programmeerbare wetenschappelijke rekenmachines (TI-59!) op de markt verschenen. Ik geloof niet dat ik nu nog voor iets, behalve dan gezondheid en geluk, zo’n gepassioneerd verlangen zou kunnen voelen. Ik had een mooie manier gevonden om voor zo’n rekenmachientje te sparen: ik ontdekte namelijk dat mensen vaak vergaten hun wissel- of retourgeld uit de snoep- en snackautomaten op het station te halen. Dus liep ik voordat ik op de trein stapte netjes alle perrons of om iedere automaat op wisselgeld te controleren. Dat leverde soms wel een aantal guldens per dag op! Op die manier heb ik in een half jaar tijd meer dan honderd gulden gespaard. Te weinig voor een rekenmachientje helaas.
Figure xx. Mijn eerste rekenmachientje een
CASIO Mini CM-603A.
Het was een van de allereerste rekenmachientjes van CASIO.
Het had slechts 5 cijfertjes en een shift toets waarmee nog eens 6 cijfers van het resultaat van een berekening te zien waren.
Na de zomervakantie van 1974 zou ik naar de tweede klas van de MAVO van de (uiteraard Christelijke) Nassau Scholengemeenschap in Breda gaan. Die School richtte zich specifiek op kinderen uit de dorpen van “West Brabant” waarvoor zij de dichtstbijzijnde scholengemeenschap waren. Het vervoer naar school ging door middel van een vier tal schoolbussen die iedere dag vanuit Willemstad, Zevenbergen, Klundert en Moerdijk naar Breda reden. De bus vanuit Moerdijk kwam voor het huis langs en iedere dag kon ik netjes voor de deur opstappen, waarna de bus nog scholieren oppikte in Lage- en Hoge Zwaluwe, Wagenberg en Terhijden. Een nadeel van dit systeem was dat je hele lange dagen maakte. De bus vertok ’s morgens om half acht en ik was ’s avonds pas tegen vijf uur thuis, ook als je de eerste of laatste uren op een dag vrij was! Zover zou het die zomer in 1974 echter voorlopig niet komen. Op een dag waren opa en oma op bezoek en kreeg ik ’s avonds na het avond eten last van buikpijn. Oma weet dat aan de royale hoeveelheid sambal die ik die avond op mijn nasi had gedaan: ‘Dat kan toch nooit goed zijn voor zo’n kind!’ De pijn werd snel erger en ook kreeg ik koorts die al snel vrij heftig werd. De huisarts (Vriesen) twijfelde net iets te lang of het echt wel een blindedarm ontsteking was, waardoor de blindedarm perforeerde met het gevaar voor een buikvliesontsteking. De juiste diagnose werd uiteindelijk gesteld door een chirurg (dr. Pepper) in het St. Ignatius ziekenhuis in Breda waar mijn vader en moeder me in hun eigen auto op zondagochtend naar toe hebben gebracht. Met meer dan 41 graden koorts werd ik direct opgenomen op de kinderafdeling waar ik weken met zakken ijs in mijn nek, op mijn hoofd en op mijn buik heb gelegen om mijn lichaamstemperatuur niet boven de 42 graden te laten komen. Dat is net gelukt, maar toch is de temperatuur een aantal dagen 41.9 graden geweest. Na een aantal weken daalde de koorts en moest ik wachten tot het abces verdwenen was voor er geopereerd kon worden. Al die tijd stond ik op een “streng vloeibaar” dieet. Het regime op die kinderafdeling was tamelijk Spartaans. Op vier zalen was er één televisie (die stond gelukkig op de zaal waar ik lag) en één hele strenge hoofdzuster die had bepaald dat die televisie alleen op woensdagmiddag en op zaterdagmiddag aanmocht. Je zou eens te veel afleiding krijgen! Toen het na een paar weken weer wat beter ging kreeg ik van mijn ouders een enorme modelbouwdoos cadeau. Het was een model van een luxe jacht van wel duizend onderdelen. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat was ik er mee bezig. Mijn vader maakte op de SHELL zelf de lijm door een aantal perplex linialen op te lossen in een mengsel van aceton, ether en chloroform! Ik had er een hele fles van op mijn nachtkastje staan die op een goede avond tijdens een kussengevecht aan stukken viel, waarna de verpleging de rest van de avond bezig is geweest de boel schoon te maken wat niet lukte omdat het zeil gewoon was opgelost. Na de boot volgde nog een model van de Saturnus V raket en een T-ford automobiel. Na mijn ontslag uit het ziekenhuis wachtte thuis het mooiste cadeau: een echt zak rekenmachientje: een CASIO MINI CM-603A. Het was één van de eerste CASIO rekenmachientjes. Mijn ouders hadden het in Breda gekocht voor de destijds enorme som van 160 gulden.
Intussen was het nieuwe schooljaar (74/75) zover gevorderd dat het niet meer realistisch was de gemiste stof van 2 MAVO in te halen. In plaats daarvan werd besloten dat ik de brugklas opnieuw zou doen in Breda. Achteraf is dat een groot geluk geweest. Na een moeilijke start halverwege het schoooljaar voelde ik me in Breda veel beter op mijn gemak dan in Rotterdam en ik had er ook meer vriendjes. De brugklassen van de Nassau scholengemeenschap zaten in die tijd in een noodbouw dependance aan de Poolseweg, de eerste stop van de schoolbussen. Omdat ik veel beter in mijn vel zat lukte ook het leren beter en aan het eind van het jaar was het schooladvies HAVO/Atheneum. Hoewel ook de psychologische test die ik in de brugklas had gemaakt resulteerde in een Atheneum advies, werd toch voor de HAVO gekozen omdat ik daar minder talen zou krijgen die voor mij waarschijnlijk een struikelblok zouden vormen. Na de HAVO zou ik dan, als alles goed ging, altijd nog het VWO kunnen doen. En zo is het ook uitgepakt. Ik heb het op zowel de HAVO als het VWO op de Nassau altijd enorm naar mijn zin gehad.
Op de Steenweg ben ik nog aanzienlijke tijd bezig geweest om te proberen met het RCA 913 buisje een kleine oscilloscoop te maken. Het houten bodemplankje was inmiddels vervangen door een witte opbergdoos waarin het buisje met een “Terry-klem” was bevestigd. Een oscillerend neon lampje vormde de tijdbasis. Ik denk dat mijn vader me op dat idee had gebracht.
Ik begreep in ieder geval heel goed hoe het werkte. De zaagtandvormige spanning over het neon lampje werd direct met de horizontale afbuigplaten
verbonden. Het was allemaal heel primitief, maar ik kon er een sinus mee op het schermpje toveren. Het scoopje stond op het “radio kastje” in het
halletje achter de voordeur. Daar kon het ’s winters erg koud zijn. Ik denk dat dat de reden is geweest dat er in het glazen schermpje van het buisje op een gegeven moment een barstje was ontstaan. Ik was ontroostbaar en gelukkig heeft mijn vader erger kunnen voorkomen door met twee componenten lijm een beschermende laag over het glazen schermpje aan te brengen.
Intussen was het digitale tijdperk definitief aangebroken. Al tijdens onze wandelingen in het Zwaanshals had ik me bij “van Dam” vergaapt aan een digitale teller met NIXIE buisjes en ook in Elektuur verschenen steeds meer schema’s met vreemde “bel-vormige” symbolen die later NAND poorten bleken te zijn. Ik weet nog hoe ik liggend op het bed
van mijn ouders in Rotterdam de
halfgeleidergids van 1971 lag te lezen en hoe ik mij verwonderde over al die vreemde symbolen en me afvroeg wat dat voor een bijzondere onderdelen waren. Tot dat moment was mijn vader altijd mijn gids geweest in mijn verkenning van de elektronica, maar dit was iets waar mijn vader me absoluut niet mee kon helpen. De aansluiting met de digitale revolutie had hij volledig gemist. Gelukkig vond ik op een gegeven moment een paar jaar oude
Elektuur uit november 1970 die als titel had “Alles wordt Digitaal” en waarin de basis begrippen van de digitale techniek eens goed op een rijtje werden gezet. Ik heb dat nummer verslonden; het was een openbaring voor me! Toen ik eenmaal het basis idee van “enen” en “nullen” doorhad, was de werking van al die andere ICs uit de 7400 serie makkelijk te doorgronden. Hierbij waren de zogenaamde IC-kaarten die Elektuur rond die tijd als een soort “elektronische centerfold” publiceerde een fantastische hulp. Al op de Bergweg had mijn vader van een oude multomap een soort knipselboek gemaakt waarin hij schema’s uit oude Radio Bulletins bewaarde die hij interessant vond. In Moerdijk was ik een eigen map begonnen, waarin ik behalve de schema’s die mijn vader had verzameld ook zelf allerlei aantekeningen, gegevens en tabellen bewaarde. Het was een kleine blauwe map die ik nog steeds heb. Vele pagina’s heb ik volgeschreven, het meeste gekopieerd uit die bewuste elektuur van november 1970. Met engelengeduld heb ik ook alle IC kaarten met de hand gekopieerd.
Figure xx. De winkel van Klaas Reichardt in de Boschstraat in Breda. In de tijd dat we op de Steenweg woonden en in de beginjaren op de Julianastraat was dit de winkel waar ik mijn onderdelen kocht.
Als ik nu naar mijn met onderdelen volgeladen kastjes kijk, moet ik onwillekeurig altijd terug denken aan die tijd waarin ik me net de grondbeginselen van de digitale techniek had eigen gemaakt. Want hoewel
mijn vader in de loop der jaren een enorme voorraad onderdelen en spullen had verzameld, waren daar natuurlijk niet die fascinerende ICs bij. Ik heb daarom voor mijn verjaardag (waarschijnlijk in 1974, ik werd toen
dertien) een setje ICs gevraagd. Ik weet het nog precies, het waren een: SN7490 decade teller, een SN7447 binair naar 7-segment decoder, een 3015 minitron buisje, een SN7413 Schmitt-trigger NAND en een SN7440 dual quad input NAND met “power” output. Het lijkt niet veel, maar het was alles bij elkaar meer dan dertig gulden, een heel bedrag voor mijn ouders in die tijd. Opa en oma van den Berg waren op visite die verjaardag en oma was kompleet uit het veld geslagen dat zo weinig zo veel geld kon kosten. Ze heeft het tot aan haar dood nog vol verbazing tegen iedereen verteld als mijn hobby ter spraken kwam. Ik weet niet meer precies hoe ik die ICs allemaal aan elkaar heb geprutst, maar ik herinner me nog die enorme sensatie toen ik voor het eerst een tellertje had gemaakt. Toen leerde ik ook voor het eerst het fenomeen kontact-dender kennen. Het bleek te onderdrukken te zijn als je de drukkop verving door een potentiometer. Kort daarna leerde ik hoe een eenvoudige set-reset flip-flop uitkomst kon bieden.
De onderdelen werden gekocht in de electronicawinkel van Klaas Reichardt in Breda (Fig. xx). Toen we pas in Brabant woonden gingen we op zaterdag meestal naar Breda. En een bezoek aan Klaas Reichardt stond dan meestal op het programma en hij werd de vaste leverancier van die onderdelen waar mijn vader bij SHELL niet aan kon komen: wrijfsymbolen voor het etsen van printjes, druktoetsjes voor mijn SC/MP computer etc. Omdat mijn vader aanvankelijk zijn naam niet kende werd hij door ons steevast “de snor” genoemd. De andere elektronicawinkel in Breda was Radio Beurs in de Karnemelkstraat (foto links). Daar kwamen we niet zo vaak, maar ik heb er o.a. wel het weersatelliet boek van Janssen en Schimmel gekocht.
Figure xx. Schema van een digitaal klokje dat ik op mijn dertiende ontwierp. Het is het oudste nog overgebleven schema
van me dat bewaard is gebleven.
Klik hier voor een grotere versie
Net zoals het vandaag de dag bijna niet meer voor te stellen is hoe bijzonder een rekenmachientje ooit was, zo is het nu bijna ook niet meer voor te stellen wat een sensatie de eerste digitale klokken waren. In die tijd waren mechanische digitale klokjes heel populair. Deze klokjes bestonden uit twee wielen, waarvan een met 24 plaatjes met de cijfers 1 tm 24 voor de uren en een met 60 plaatjes voor de minuten. Een synchroon motortje dreef de wielen aan zodat er iedere minuut een nieuw plaatje naar beneden klapte. Je vindt dit soort klokken nog steeds in de informatieborden boven perrons in stations. Mijn vader had al voor dat we naar Moerdijk verhuisden een wekkerklok met zo’n semi-digitaal uurwerkje. Wat echt helemaal nieuw en nog niet vertoond was waren echte digitale klokken met zeven segment displays. Mondjesmaat verschenen in zowel Elektuur als Radio Bulletin de eerste ontwerpen, maar dat ware hele projecten met vele tientallen ICs en een enorme voeding. Nu ik zelf mijn eerste tellertje had gemaakt kon ik ook makkelijk mijn eerste digitale klok zelf ontwerpen. Het schema (Fig. xx) is het oudst bewaarde schema van mijn hand dat ik nog heb. Leuk dat het een schema van een klokje is, een onderwerp wat mij nu nog steeds (of weer?) zo bezig houdt!
Het klokje is bij gebrek aan middelen nooit gebouwd. Korte tijd daarna vond ik een advertentie van ORBIT elektronica waarin een IC te koop werd aangeboden dat een komplete klok bevatte, de MM5316. ORBIT Elektronica was een bijzondere zaak. De firma adverteerde in die tijd altijd met pakketten waarin bijvoorbeeld dertig stuks ICs, bijvoorbeeld SN7400, te koop werden aangeboden die ongestemepeld en ongetest waren en die allemaal de eenheidsprijs van Fl 7,50 kosten. Later heb ik daar eens een pakket van dertig SN7403’s gekocht waarvan er uiteindelijk maar een paar defect bleken. Een van de onderdelen die ook voor Fl 7,50 ongetest werd aangeboden was het klok IC. Hevig aangemoedigd door mijn vader, hebben we er toen een besteld. Na een paar dagen kwam het IC, op een stukje piepschuim met zilverpapier er om heen. Dit project vormde voor mij een keerpunt in mijn “knutselcarrière.” Tot dan toe was al mijn knutselwerk altijd “ongepland plakwerk” geweest: als ik op zondagochtend bedacht dat het wel leuk was om een oscilloscoop te maken, dan zat ik ’s middags te solderen. Deze klus kon zo niet aangepakt worden, dit zou een echt project worden. Had vanaf dit moment het knutselen zijn onschuld verloren? Hoe dan ook, ik was bezeten van het idee van een echte digitale klok.
Figure xx. Het klokje dat ik op basis van de MM5316 van ORBIT heb gebouwd en dat na 35 jaar nog steeds werkt.
Het is het oudste knutselproject van mij dat de tand des tijds heeft overleefd.
Klik hier voor meer foto’s
Het eerste probleem was dat de datasheet die bij het IC werd geleverd liet zien dat het IC eigenlijk gemaakt was voor een fluorescentie display. Ik schrijf dat hier nu wel, alsof ik destijds een droge constatering maakte, maar ik had in werkelijkheid in die tijd geen flauw idee wat een fluorescentie display was en ik verbaasde me mateloos over het feit dat er in de buisjes in het schema een gloeidraadje getekend was. Na veel gepuzzel, en ik denk ook een beetje met de hulp van Klaas Reichardt, werd me na verloop van tijd duidelijk dat ik de vier LED displays die mijn vader bij de SHELL had geregeld (het waren de eerste LED displays die ik ooit in mijn handen had gehad) met een transistor buffer trapje moest aansluiten. Omdat allemaal een beetje fatsoenlijk te kunnen aansluiten was een printje nodig. Ook dat ging via de SHELL. Met plakstrookjes maakte ik op kalkpapier een ontwerp en na een paar dagen had ik twee keurige printen. Achteraf heb ik er toch wel veel bewondering voor hoe mijn vader me hierbij maar wat liet “aan modderen.” Ik zelf zou als bijvoorbeeld Daan aan zo’n project zou beginnen er bovenop zitten omdat ik het heel vervelend zou vinden als het niet zou lukken. Aan de ene kant had mijn vader wel zo veel vertrouwen in mij dat hij dat niet nodig vond en aan de andere kant had hij er denk ik ook gewoon geen zin in. Hoe dan ook, ik denk dat ik bij dat “aan modderen” nou juist dat heb geleerd waar ik mijn hele leven zo’n plezier van heb gehad.
Na heel veel gepruts was de klok uiteindelijk klaar en bleek hij helaas niet (helemaal) te werken. Dat was na alle moeite een enorme teleurstelling. Na heel veel controleren, moest ik wel concluderen dat het klok IC defect was. Het waren immers ongeteste exemplaren. Mijn vader heeft toen naar ORBIT Elektronica gebeld met een heel sneu verhaal over een jongetje die een klokje had gemaakt en hoe groot de teleurstelling was en of hij misschien voor deze ene keer een getest exemplaar kon kopen? Dat kon en een aantal dagen later was ik de trotse bezitter van een echte digitale klok! Mijn vader was als de dood dat er iets met het
IC zou gebeuren en heeft toen nogmaals ORBIT opgebeld met het ongelofelijke verhaal dat ik zo enthousiast naar de post was gerend dat ik per ongeluk op het IC was gaan staan waardoor het kapot was gegaan. Het is kenmerkend voor mijn vader dat hij dacht dat ze zo’n verhaal wel zouden geloven, maar in ieder geval hebben ze nogmaals een getest exemplaar gestuurd dat ik tot nu toe als reserve exemplaar heb bewaard.
Het klokje werd, nadat het netjes was gemonteerd in een omgekeerde “kaasdoos,” trots
tentoongesteld in de huiskamer. Zoiets was in die tijd nog echt heel nieuw en veel mensen die op bezoek waren verbaasden zich er over. Het klokje is later mee verhuisd naar de Julianastraat en heeft daar tot aan het moment dat mijn moeder in 2004 naar Valkenswaard verhuisde probleemloos gedraaid.
Al kort nadat we op de Steenweg woonden werd mijn vader lid van de kerkenraad, eerst als diaken later als ouderling en het duurde niet lang of hij was voorzitter van de kerkenraad. Eigenlijk was dat helemaal niets voor mijn vader: met mensen vergaderen en samen iets doen. Volgens mijn moeder deed hij het vooral omdat hij op die manier, als “meneer uit Rotterdam,” aanzien genoot. Ik ben bang dat ze daarin wel een beetje gelijk heeft. Nadat we naar de Julianastraat waren verhuisd werd mijn vader ook lid van de Classis en is hij daarin afgevaardigd naar de Generale Synode van Delft. Ik ben met hem mee geweest naar Delft naar de opening van die synode en weet nog hoe we door de burgemeester in het stadhuis zijn ontvangen. Voor de synode moest hij een aantal keer naar Lunteren. Vanuit de synode heeft hij ook zitting gehad in een deputaat (als ik de benaming goed heb) dat zich bezig hield met de charismatische beweging binnen de kerk. Na afloop is over het werk binnen dat deputaat
een boekje verschenen, “Vurig van Geest” waarin ook de naam van mijn vader staat. Ik denk dat mijn vader wel meer dan tien jaar voorzitter is geweest van de kerkeraad, waarbij denk ik weinig ruimte was voor andersdenkenden. Het spreekt vanzelf dat alle rot-klustjes, zoals het samenstellen van het preekrooster en het typen van het kerkblad (de Slinger) voor rekening van mijn moeder kwamen. Na iets meer dan een jaar nadat we naar Moerdijk waren verhuisd kwam de pastorie van de kerk leeg te staan en aangezien oook mijn ouders wel inzagen dat het huis aan de Steenweg eigenlijk een krot was wilden ze de pastorie dolgraag huren. Er was een ander gezin dat ook graag de pastorie wilde betrekken, maar omdat ze een nogal groot gezin hadden met drukke kinderen en omdat mijn vader inmiddels in de kerkeraad zat werd het huis aan ons toegewezen. Zo zijn we dus binnen anderhalf jaar weer verhuisd, maar nu naar de Julianastraat 55.
Figure xx. Het schema van het laatste scoopje dat ik op de Steenweg heb gebouwd kwam uit “Radio Elektronica.” Het schema bevindt zich in de schema multomap van mijn vader. Bijzonder is dat het scoopje voor de tijdbasis gebruik maakt van de gas-gevulde triode EC50. Het linker exemplaar heb ik destijds gebruikt, de rechter buis heb ik onlangs in bezit gekregen.
Een van de laatste projectjes waar ik op de Steenweg aan gewerkt heb was een nieuw oscilloscoopje, dit keer gebaseerd op een DG7-32 buisje dat mijn vader nog ergens had liggen. Het schema kwam uit een Radio Elektronica die ik helaas bij de laatste verhuizing heb weggegooid, maar waarvan ik nog wel het schema heb omdat mijn vader dat destijds had uitgeknipt voor zijn verzamelmap met schema’s. Het bijzondere van dit schema was dat er een gasgevulde triode (EC50)werd gebruikt voor de tijdbasis en die we toevallig hadden liggen. Het scoopje werd gebouwd op een chassis van Uniframe delen en deed het best redelijk in de zin dat een 50Hz sinus redelijk werd weergegeven, maar dat je het daar dan ook helemaal mee gehad had. Rond de tijd van de verhuizing had ik de Teletor schema’s van mijn vader ontdekt en gedurende korte tijd was ik wel heel erg in de verleiding om daar zelf iets mee te proberen, maar daar is het (gelukkig) nooit van gekomen.
| to top of page | back to homepage |
In de zomer van 1975 verhuisden we van de Steenweg naar de Julianastraat. Ik denk dat niemand er erg verdrietig om was dat we het huis op de Steenweg verlieten. Zoals al gezegd was het huis in wezen een krot en ook het drukke verkeer voor het huis was alles behalve prettig. Het huis in de Julianastraat was veel ruimer en ik kreeg de ruime studeerkamer van de dominee. Voor mijn moeder was het denk ik een enorme opluchting dat ze nu van de last van een eigen woning af was. Ook nu lieten mijn ouders het hele huis behangen en verven voor we er in trokken. Van de verhuizing zelf weet ik eigenlijk helemaal niets meer, behalve dan dat het veel problemen gaf de enorme vrieskist de bijkeuken in te manoeuvreren.
Figure xx. Julianastraat 55
Een van de eerste knutselprojecten die ik in de Julianastraat onder handen nam, was wederom de bouw van een oscilloscoop. Ik weet niet precies meer hoe het zo liep, maar op een gegeven moment had Klaas Reichardt (“de snor”) in Breda een halfgebouwde oscilloscoop staan waar ooit iemand aan was begonnen, maar die nooit voltooid was. Het was het ontwerp van de HM107-scoop uit het boekje “Meetinstrumenten voor zelfbouw” van de Muiderkring. De vorige eigenaar van het geheel had de kast, inclusief de kathodestraalbuis van een oud meetinstrument gebruikt als basis voor de scoop, maar had er kennelijk halverwege geen gat meer in gezien en de onderdelen aan Klaas Reichardt te koop aangeboden. Net zoals mijn vader jaren eerder het SHARP TV’tje in stukken had gekocht, kreeg ik nu van mijn vader deze halfvoltooide oscilloscoop die hem vijfenzeventig gulden kostte.
Figure xx. Mijn zelfbouw-osciloscoop gebaseerd op de HM107. Klik hier voor meer foto’s.
Van de scoop waren twee strips met daarop de elektronica voor de verticale– en horizontale afbuiging al min of meer gemonteerd. Het grootste probleem vormde de aansturing van de kathodestraalbuis. Aangezien dit een heel andere buis was dan die in het HM107-ontwerp was gebruikt en ik maar heel summiere gegevens van de buis had, moest ik dat voor het grootste gedeelte zelf verzinnen. Met heel veel prutsen en “trial en error” is dat uiteindelijk gelukt. De
foto’s in de fotobijlage tonen wel met wat een “bak- en braadwerk” e.e.a. tot stand is gekomen. Hierbij werd alles gebruikt wat voor handen was zonder al te veel na te denken over specificaties, toleranties en al die andere duizenden problemen die naar mate men ouder en “wijzer” wordt vaak zo verlammend kunnen werken.
De scoop werkte uiteindelijk heel aardig en was jaren lang mijn meest waardevolle bezit: “het ding wat gered moest worden als er brand uitbrak.” Signalen tot een paar megahertz waren er redelijk mee te bekijken.
Figure xx. Boeken die in deze periode van mijn leven een belangrijke rol speelden.
Langzaam verloor het knutselen zijn onschuld en werd het meer “volwassen.” Op het gebied van de digitale elektronica had ik mijzelf inmiddels een degelijke basis verschaft. Mijn vader nam op een gegeven moment twee blauwe experimenteerbordjes mee van de SHELL. Dat was geweldig! Die dingen waren in die tijd nog heel duur en ze waren fantastisch om met IC’s te experimenteren. In een Tandy winkel in Roosendaal kocht ik in die tijd (voor zeven gulden vijftig per stuk) twee boeken met datasheets (TTL en CMOS) van National Semiconductor. Vooral het TTL boek is jarenlang mijn steun en toeverlaat geweest. Jaap en Annie de Roos waren twee kennissen die mijn ouders via de kerk leerden kennen. Ze waren een stuk jongen dan mijn ouders, maar omdat zij ook “import” waren schiep dat denk ik een band. Al in de Steenweg tijd kwamen ze af en toe bij ons op bezoek. Jaap werkte als service man bij het computer bedrijf Burroughs dat in Roosendaal was gevestigd. Hoewel elektronica voor hem gewoon zijn broodwinning was, vond hij het wel leuk dat ik er zo bezeten van was en kreeg ik van hem wat oude spullen zoals bijvoorbeeld een oude nixie rekenmachine en een cassettestation. Ook kreeg ik af en toe wat oude printen vol met TTL IC’s afkomstig uit de minicomputers waar hij service op verleende. Die ICs hadden niet een gewoon 7400 nummer, maar een specifieke acht cijferige Burroughs code. Gelukkig had ik wel een “vertaal tabel,” maar handig was het niet. Jaap had ook een geweldig meetinstrument dat ik af en toe mocht lenen. Het was een soort universeelmeter voor service aan digitale apparatuur. Je kon er behalve spanningen en stromen (digitaal) ook frequenties en pulsbreedtes mee meten. Ook heeft Jaap me een keer op een avond meegenomen naar het kantoor van Burroughs in Roosendaal en me daar een van hun mini-computers gedemonstreerd. Een door de computer geprinte paardenkop heeft in Moerdijk jarenlang op mijn kamer aan de muur gehangen.
Figure xx. Deze tijdschriften vormden in de begin tijd van de microprocessors mijn belangrijkste informatiebron.
In 1976, ik zat toen in de derde klas van de havo, kwam ik voor het eerst in aanraking met “microprocessors.” Dat was toen echt iets heel nieuws. Slechts een paar jaar eerder, in 1971, werd de allereerste microprocessor – de 4004 – geïntroduceerd en zeker onder hobbyisten was het een onbekend fenomeen en ook in Elektuur was het onderwerp, op
een intrigerend kort artikel na, nooit besproken. In oktober 1976 verscheen er echter een nieuw elektronicablad op de markt: Electronica Top International, kortweg ETI (Fig. xx). Het eerste nummer beloofde
“een Serie over Microprocessors,” en ik denk dat dat de reden was waarom ik het blad vanaf het begin ben gaan kopen. Ik heb de hele serie artikelen verslonden, het was alsof er een wereld voor mij openging en ik geloof dat ik ook ogenblikkelijk alle mogelijkheden van deze nieuwe technologie begreep. In het tweede nummer van ETI verscheen ook een serie artikelen die de bouw van een
VDU (“Video Display Unit”) beschreven, een schakeling om letters en cijfers op een gewone televisie zichtbaar te maken. Kortom, ik was verkocht. De komende jaren zouden worden besteed aan de obsessie om zelf een micro-computer te bouwen waarbij een in BASIC programmeerbaar systeem mijn grootste droom was.
Figure xx. Mijn allereerste zelfgemaakte computersysteem. In het systeem op de foto had de print met de 8008 inmiddels plaats gemaakt voor het Elektuur board met de SC/MP.
De firma ORBIT Electronica waar ik eerder het klok IC had gekocht had ook de 8008 microprocessor in de aanbieding, aanvankelijk voor Fl 159,- en later voor Fl 25,- (inclusief datasheet). Ik weet jammer genoeg niet precies meer hoe de bestelling van de 8008 nou precies door in zijn gang is gegaan. Ik meen me te herinneren dat ik mijn vader heb laten informeren naar een schuifregister dat ook in de advertentie stond, maar het eind van het liedje was dat de 8008 besteld werd. De datasheet was een enorme puzzel. Ik had in de
ETI natuurlijk alles gelezen over microprocessors, maar bij de 8008 was alles veel ingewikkelder omdat zowel de adressen als de controle signalen over de databus worden gemultiplext. Met tomeloze energie ben ik er desondanks mee aan de slag gegaan. Bij van der Mijde had ik een kast gekocht waarin zich een gedeelte van een volledig uit transistoren opgebouwde computer bevond. Het was een vreemd systeem dat bestond uit een soort metalen boek dat bestond uit drie “bladzijden” die weer bestonden uit een metalen frame met daarin een grote print vol met transistoren, diodes en weerstanden. Kort daarna heb ik een soortgelijke kast gekocht die slechts bestond uit één “bladzijde” en met daarin een ringkerngeheugen maar die toch een goede indruk geeft van het grote systeem. Nadat die printen verwijderd waren bleef er mooie kast over waar ik mijn microcomputer in kon opbouwen. Met de afdekplaten erop was het een mooi compact geheel, dat door het bladzijde-systeem toch heel goed toegankelijk was. Ik moet toegeven dat ik eigenlijk alle details over dit hele systeempje was vergeten. Het was ontzettend leuk om aan de hand van de enige foto die ik er van heb en wat schema’s die wonder boven wonder bewaard zijn gebleven de hele opbouw te reconstrueren. Het is bijzonder wat een mens nog in zijn geheugen heeft zitten en waar je na heel hard proberen en met de juiste prikkels nog bij kunt komen. Mijn eerste microcomputer bestond uit drie onderdelen die toevalligerwijs overeenkwamen met de drie “bladzijden van het frame:” de microprocessor met geheugen, een hardware RAM-lader en een VDU (Video Display Unit).
Figure xx. Het schema van het display gedeelte (links) en het toetsen bord gedeelte (rechts) van de hardware RAM lader.
Ik wist dat in de meeste microcontroller systemen een monitor programma werd gebruikt om een programma in het RAM geheugen te laden. Omdat het onmogelijk is een monitor programma te ontwikkelen als je geen werkend systeem hebt, heb ik dus een “RAM-lader” in hardware gemaakt.
In die tijd kon je bij diverse elektronica zaken “zelfbouw toetsenbordjes” kopen. Dat waren losse witte toetsjes die je zelf in een bepaalde configuratie kon rangschikken. Bij Klaas Reichardt had ik een setje gekocht, en die op een experimenteerbordje gemonteerd in de vorm van een hexadecimaal toetsenbord met enkele controle toetsen. Een zevensegment display array uit een oud rekenmachientje diende als display. Het toetsenbord en display waren gemonteerd achter een wit gefineerd houtenplankje op twee schuine latjes zodat het geheel een soort console vormde die via een flatcable met de rest van de elektronica verbonden was. Een puntje van de console is in figuur xx nog net zichtbaar voor het TV’tje. Het toetsenbordje zelf bestaat nog steeds! Het is nu onderdeel van het “Piccolo systeempje” dat ik nog steeds heb (Fig. xx.) In de console was een diode matrix ondergebracht die een toetsaanslag vertaalde naar een hexcode. Die diodes waren afkomstig van de printen die zich oorspronkelijk in het metalen frame hadden bevonden. De flatcable van de console was verbonden met twee printplaten in de computerkast. Een print verzorgde de gemultiplekste aansturing van het display, de andere de uitlezing van het toetsenbord. Uiteraard moest alles zo goedkoop mogelijk en het liefst met spullen en onderdelen die ik had liggen. Het display circuit was uiterst simpel van opzet. Hier kwamen de SN7403 NAND’s met open collector die ik bij ORBIT had gekocht goed van pas. Er waren in totaal zes cijfertjes (vier voor het adres en 2 voor de data).
Ieder cijfertje werd via een zes SN7403’s die allemaal “ge-or tied” waren aangeboden aan een DM9368 HEX naar 7-segment decoder die ik bij ESKA in Dordrecht had gekocht. De common-cathode van de displays werd direct vanuit een 7442 aangestuurd. Een oscillatortje en SN7490 dreven het
geheel aan. Het toetsenbord printje was al even eenvoudig. Als er een toest werd ingedrukt dan werd de binaire code in een van de zes SN7475’s gelatched. Een SN7490 en een SN7442 wezen bij elke toetsaanslag een volgende SN7475 aan. Twee timers van het type SN74121 zorgden voor de timing. Alles simpel en doeltreffend en alles zaterdagochtend ontworpden, zondagmiddag klaar!
De Video Display Unit was natuurlijk een van de aller leukste dingen om te maken. Hierbij werd in grote lijnen het artikel in ETI gevolgd, uiteraard niet zonder een aantal ingrijpende wijzegingen. Zo werden in het ETI verhaal de synchronisatie signalen opgewekt met twee 555 timers. Dit was me toch wat al te gortig, bovendien had ik voor de processor al een 3 MHz kristal oscillator voorhanden. In mijn VDU werden dus de sync signalen door deling van de 3 MHz referentie verkregen. De breedte van de raster en lijn synchronisatie pulsen werden nog wel bepaald door een 555 timer. Net als in de ETI ontwerp gebruikte ik een 2513 karaktergenerator die als nadeel had dat hij maar liefst drie voedingsspanningen nodig had. Als er door de processor in het video RAM geheugen werd geschreven, dan werd het RAM geheugen gewoon botweg losgekoppeld van de VDU met behulp van een soort zelfbedachte 1 transistor tri-state schakelaar. Dat gaf wel wat storing in het beeld, maar een kniesoor die daar op let! Een monitor had ik natuurlijk niet. Wel had ik een oude buizen philips buizen TV. Wat prima werkte was het videosignaal rechtstreeks op het rooster van de video-eindbuis te prikken. Dat had een groot nadeel: aangezien het chassis van de TV rechtstreeks met de 220V van het lichtnet is verbonden betekende dit dat ook de massa van mijn computersysteem rechtstreeks aan het lichtnet hing. De enige manier om elektrocutie te voorkomen was door er voor te zorgen dat de stekker van de TV zodaning in het stopcontact zat dat de “nul” van de 220V met het chassis verbonden was. Een codering systeem waarbij de netstekkers half wit en half zwart waren geschilderd moest daarvoor zorgen. Later gebruikte ik als veiliger alternatief het SHARP TV’tje (Fig. xx).
Figure xx. Pogingen om de timing van de 8008 te begrijpen en het schema van het processor board van de 8008. Deze laatste heeft helaas nooit gewerkt.
Het grote struikelblok van het hele systeem was de 8008 processor. Ik had op dat moment gewoon niet de kennis en ook niet de meetapparatuur om zo iets aan de praat te krijgen. Ik heb er eindeloos mee zitten prutsen, maar het heeft helaas nooit gewerkt. Net op het moment dat ik het echt helemaal niet meer zag zitten kwam Elektuur in mei 1977 met hun eerste microprocessor systeem gebaseerd op de SC/MP processor van National Semiconductor. Het was een beetje vreemd systeem, met een afzonderlijk printje voor de CPU en CD4016’s als tristate buffers. Wat geweldig aan het Elektuur systeem was, was zijn eenvoud: net zoals in mijn systeem was er geen monitor programma aanwezig, maar werd het RAM geheugen geprogrammeerd via een set dip-switches en uitgelezen met een rijtje LED’s. Geplaatst in mijn systeem kon de SC/MP print van Elektuur direct door mijn RAM-lader worden aangestuurd! Door mijn vader aangemoedigd (en natuurlijk financieel ondersteund) heb ik toen de 8008 overboord gezet en heb ik me op de SC/MP gestort. Wederom werden er twee printjes bij de SHELL gemaakt en werd er een SC/MP processor bij ESKA in Dordrecht gekocht. Het Elektuur systeem sloot heel netjes aan bij de RAM-lader die ik al had en ik herinner me nog het absolute extatische gevoel toen ik mijn eerste programma draaiend had. Niet dat dat veel voorstelde, het eerste programma was bestond uit niet veel meer dan een paar stop instructies, maar toch … Al heel snel heb ik
een cassette-interface gebouwd omdat ik het een beetje beu werd om elke keer een heel programma met de hand te moeten in toetsen. Het ontwerp hiervoor kwam uit Elektuur, maar ik had zelf de print ervoor geëtst. Het werkte uitstekend, alhoewel er toch nog elke keer eerst een klein cassette-laad programma moest worden ingetoetst. De gegevens werden opgeslagen met behulp van de
Philips cassetterecorder van mijn vader.
Figure xx. Dit soort “afwrijfsymbolen” konden direct op het koper van een printplaat worden aangebracht en waren bestendigd tegen het ijzerchloride ets mengsel. Op een Mylar film konden ze worden gebruikt om fotografisch printen te maken.
Zoals inmiddels duidelijk is geworden maakte ik inmiddels mijn eigen printen. De eerste printen die ik maakte waren meen ik voor een “Edwin versterker,” een ontwerp uit Elektuur. Die printen waren direct op het koper getekend met een EDDING 2000 viltstift, waarvan de lak goed tegen het ijzerchloride etsmiddel kan. Later gebruikte ik speciale print-ontwerpstiften. Het etsen gebeurde in
een bakje met ijzerchloride, in de garage of in het gangpad achter. Het duurde vaak eindeloos, omdat het buiten natuurlijk vaak veel te koud was. Hoeveel met koper verontreinigd etsmiddel daarbij het afvoerputje of de grond in is verdwenen durf ik niet aan te denken, maar een kleine milieuramp moet het toch eigenlijk wel geweest zijn! De tekentechniek was niet toereikend om er printen voor IC’s mee te ontwerpen. Nu bestonden er “afwrijfsymbolen” die je kon gebruiken om er maskers voor fotografische printen mee te maken, maar die je ook direct op de print kon aanbrengen. Die techniek heb ik gebruikt voor het eertse computersysteem. Voor het tweede computersysteem dat modulair was opgebouwd lag het meer voor de hand een fotographische techniek te gebruiken. Dat was nog een hele toer. Eerst moest in rood licht een fotografische lak worden aangebracht bet behulp van een spuitbus. Het was moeilijk omdat gelijkmatig en een beetje stofvrij te doen, zeker in de garage! Nadat de lak gedroogd was kon dan het ontwerp, dat nu met wrijfsymbolen op een UV-transparante Mylar film, worden belicht en ontwikkeld in een badje met natronloog. Als alles goed was kon de print dan geëtst worden. Zo heb ik een aantal jaar printen gemaakt, soms zelfs dubbelzijdig, totdat ik het gebruik van experimenteerprinten veel flexibeler ben gaan vinden.
Figure xx. Een verschrikkelijke foto (links), maar ik heb hem er toch bij gezet omdat hij laat zien hoe vreselijk trots ik was op mijn computer-systeem. Ik had zelfs een T-shirt met de opdruk “Dekker Systems” laten maken. De foto toont mijn tweede SC/MP systeem, waar ik een paar jaar aangewerkt heb. Klik hier voor meer foto’s.
Op een gegevenmoment kreeg ik van Jaap de Roos een afgedankte “card-cage,” vermoedelijk van een
Burroughs C3200 minicomputer. Dit rek bevatte een hele rij dubbelzijdige “card-edge” connectors die aan de achterzijde waren voorzien van een vier lagen dikke “wire-wrap” bedrading. Ik ben letterlijk dagen bezig geweest om die bedrading draadje voor draadje met
een pincet te verwijderen, maar uiteindelijk had ik dan toch, gratis en voor niets, een heel mooie basis voor een nieuwe modulair opgebouwd computer systeem. Zo ging dat toen, wat je maakte werd grotendeels gewoon bepaald door wat er voor handen was, of wat er op je pad kwam. Het uiteindelijke plan was om een microcomputer te maken die ik in BASIC kon programmeren. Het is nu achteraf moeilijk voor te stellen hoe gebiologeerd ik was van computers die in een hogere programmeertaal te programmeren waren. In die tijd waren systemen als de Commodore PET en de Tandy TRS-80 heel populaire systemen, waar ik me eindeloos aan kon vergapen.
Dit tweede SC/MP systeem bestond eigenlijk uit drie delen: de CPU met wat geheugen en I/O kaarten, een gecombineerde RAM/VDU uitbreiding en de voeding. De I/O kaarten waren in werkelijkheid of input- of output kaarten (16 inputs = 4 x 74125, 16 outputs = 4 x 7475). Het CPU deel bestond op zijn beurt weer uit een aantal kaarten: een CPU kaart natuurlijk, een kaart met de monitor EPROM (2708 2kx8!), een kaartje met de scratch-pad RAM (2112 256 bytes) een memory pointer card, en diverse I/O kaarten. Twee van de I/O kaarten waren via een lange meeraderige kabel verbonden met de bedienings-console, die gemaakt was van een oud rekenmachientje waar het binnenwerk uitgesloopt was waarvan het fluorescentie display vervangen was door een LED display array uit weer een ander rekenmachientje. Op een van de I/O kaarten kun een printje worden geschoven waarmee een 2708 EPROM kon worden geprogrammeerd. Tijdens de bouw van dit gedeelte had ik een behoorlijke dip waarin ik het hele project niet meer zag zitten. Een excursie in de vijfde klas van het VWO naar Philips in Eindhoven was een enorme stimulans om het project af te maken. Het programmeren van het monitor programma was een bijzondere toer. Het hele programma werd geschreven zonder dat ik het kon testen! Ik had namelijk geen programmer om het “even” te kunnen proberen. De ad-hoc programmer die ik had gemaakt bestond uit een apart printje met twee sets dip-switches (10 voor de adressen en 8 voor de data). Het programma moest dus bit voor bit, adres voor adres worden ingevoerd, waarna een serie van 50ms brede programmeer pulsen kon worden gegeven door de druk op een knop. Desondanks werkte het programma in een keer, wat als een enorme triomf voelde!
Figure xx. De printen uit het tweede computer systeem die ik nog heb. Van links naar rechts: de cpu print, de memory decoder, de “stack ram” en de monitor EPROM en een 2k x 9 Burroughs geheugenkaart.
Klik hier om de cpu en de geheugen kaart wat beter te bekijken.
Van Jaap de Roos had ik ook een stapeltje dynamische geheugenkaarten gekregen. Die kaarten waren 2k x 9 bits (8 bits data + 1 bit parity). Met vijf van die kaarten kon ik maar liefst over 10k geheugen beschikken zodat ik de NIBL-E BASIC interpreter uit Elektuur kon draaien. Om de dynamische geheugens te kunnen gebruiken moesten die regelmatig “ge-refreshed” worden. De schakeling die hiervoor nodig was had ik gecombineerd met een VDU. Het is uiteindelijk een vrij complexe schakeling geworden die maar liefst 4 printkaarten in beslag nam. De hele schakeling was zo complex dat ik die zo waar uitgebreid gedocumenteerd had in een getyped document! Ik kan me nog goed herinneren wat een risico volle onderneming het geheel was. De schakeling was heel complex en ik kon hem onmogelijk eerst testen. Bovendien had geen idee of de geheugenkaarten überhaupt nog wel goed waren. Wonder boven wonder kreeg ik de schakeling uiteindelijk nog aan de praat ook. Met de extra 10k RAM kon ik nu voor het eerst mijn droom waarmaken en de
NIBL-E basic interpreter draaien. Ik gebruikte hiervoor de versie die in Elektuur was gepubliceerd en die van pagina 0 naar pagina 1 was verschoven. In a href=nible.pdf>Elektuur was de complete 4k listing afgedrukt en die heb ik helemaal met de hand ingetoetst waarna deze op cassette werd opgeslagen. De uiteindelijke controle van de code heb ik samen met mijn moeder gedaan, waarbij zij de hex codes oplas, en ik die byte voor byte controleerde. Ik heb met de NIBL-E basic uiteindelijk weinig gedaan, het duurde een eeuwigheid eer de 4k byte code van cassette was geladen, vervolgens moesten dan ook nog de drivers voor het toetsenbord en de VDU worden geladen. Ongeveer een jaar nadat ik het systeem zover had dat ik het in BASIC kon programmeren ben ik in Eindhoven gaan studeren, waar ik natuurlijk de toegang had tot echte computers, waardoor de interesse in mijn NIBL-E BASIC vervaagde. Pas heel veel later heb ik uit nostalgische overwegingen nog eens
een SC/MP systeempje gemaakt waarop NIBLE-E draaide. Voor dit alles was een enorme voeding nodig die zich onderin het rek bevond. De 2kx8 geheugenkaarten gebruikten maar liefst 1A per kaart. Hiervoor was op de achtezijde van het rek een hele rij 7805 stabilisators aangebracht. Als het systeem werd ingeschakeld was er op de verlichting duidelijk een dip zichtbaar!
Figure xx. Rechts de universeelmeter van mijn vader die hij gedurende mijn hele leven heeft gebruikt en die ik nog steeds gebruik. Links de FET universeelmeter die mijn vader in deze periode van de SHELL had mee genomen en die ik ruim twintig jaar heb gebruikt.
De middelbareschooltijd in Moerdijk verloopt zonder noemenswaardige incidenten. Elke ochtend vertrekt de schoolbus om half acht vanaf de Steenweg en brengt hij me om half zes ’s avonds weer thuis. Dat zijn lange dagen. Als ik eerder naar huis wil, omdat we bijvoorbeeld een middag vrij hebben, dan moet ik eerst naar het station in Breda lopen om daar vervolgens de bus naar huis te nemen of de trein. Helaas rijdt er maar drie keer per dag een bus en brengt de trein me maar tot station Lage Zwaluwen waarna nog een wandeling van drie kwartier naar Moerdijk volgt. Eerder naar huis gaan loont dus meestal niet de moeite. Mijn vader en ik komen meestal ongeveer gelijk thuis. Terwijl mijn moeder kookt houden we haar gezelschap in de keuken, waarbij mijn vader een borreltje drink op de kruk in de keuken, en ik meestal met Mopie op schoot achter
de keukendeur zit te luisteren naar de verhalen van mijn vader. Het zijn gelukkige momenten in een relatief gelukkige periode van mijn leven. Na het eten moest er dan nog wel huiswerk gemaakt worden. Daar was ik toch vaak wel tot een uur of acht mee bezig, zeker als er proefwerken waren.
Ik ben altijd heel plichtsgetrouw geweest in mijn schoolwerk zonder dat daar enige aansporing van mijn ouders voor nodig was. Mijn vader heeft nooit echt de kans gehad om te leren en heeft er ook nooit, in zijn eigen woorden, “de hersens voor gehad.” Daarom zag hij heel goed het belang van een goede opleiding en diploma’s. Hij zei altijd, ‘als je nou goed leert, dan kan jij tegen een ander zeggen doe jij dat eens even.’ Alhoewel ik me aan dit soort uitspraken in Rotterdam al irriteerde, ben ik er t.a.v. school denk ik toch wel erg serieus door geworden.
Nadat ik vanwege de blindedarmontsteking in Breda de brugklas opnieuw had gedaan luide het schooladvies: HAVO/VWO. Omdat ik op de HAVO een jaar korter talen hoefde te doen hebben we toen voor de HAVO gekozen. De tweede klas HAVO (in de dependance aan de Michiel de Ruiter straat) verliep redelijk. Ik had veel moeite met de talen en ook een vak als natuurkunde, een vak dat ik in de tweede klas voor het eerst kreeg en waar ik me veel van had voorgesteld, lukte aanvankelijk maar heel matig. In de loop van de derde klas (in de dependance aan de Poolseweg) ging alles op eens veel beter. Ik ben altijd een laatbloeier geweest en heb kennelijk de tijd nodig om te wennen en om mij ergens thuis te gaan voelen. Een aangeboren zelfvertrouwen heb ik niet. Gedurende de hele HAVO had ik eigenlijk maar een vriend, Leo van de Hil. We trokken eigenlijk alleen op school veel met elkaar op en zagen elkaar buiten schooltijd maar heel sporadisch. Wel belden we vrijwel iedere avond omdat ik mijn huiswerk meestal niet volledig, maar vrijwel altijd onleesbaar in mijn agenda noteerde. Echt goed ging het pas nadat ik Frans en Duits kon laten vallen in de vierde klas. Uiteindelijk ben ik in 1979 met een hele mooie cijferlijst geslaagd, zodat het heel erg voor de hand lag dat ik aansluitend op de HAVO nog het VWO ging doen. Daar ik helemaal niet van verandering houd, kwam me dat bovendien heel erg goed uit!
In het zelfde jaar moest ik ook opkomen voor militaire dienst. Het hele idee van militaire dienstplicht vond ik vreselijk! Ik moest er gewoon niet aan denken. We moesten ons melden in een kazerne in Breda. Na ontvangst werden we in twee groepen gesplits. De ene groep ging eerst naar de medische keuring, de tweede groep ging eerst na de psychologische test. Na de lunch werd er dan gewisseld. Ik zat bij de groep die eerst naar de psychologische test moest. Nu werd er wel al gezegd dat als je een zwaar lichamelijk gebrek had je eerst de medische test mocht doen. Ik vond van mijzelf dat ik geen zwaar lichamelijk gebrek had, maar de sergeant die ons begeleide dacht daar anders over. ‘Hoe zwaar weeg jij?’ vroeg hij. Toen ik 120kg antwoordde mocht ik direct door naar de medische keuring. Daar bleek dat ik ook nog kleuren blind was. Na een kort gesprek met een arts mocht ik vervolgens voor de lunch al naar huis. Een paar weken later kreeg ik
een van de mooiste brieven van mijn leven. Ik was voor militaire dienst “voorgoed ongeschikt!”
Figure xx. De eindexamenklas van het VWO. Klik hier voor een foto van de eindexamenklas van de HAVO.
De twee jaren op het VWO waren mijn aller leukste jaren op de middelbare school. In zowel 5 VWO als 6 VWO had ik voor zowel wiskunde I als natuurkunde Henk Mulder als leraar. Henk Mulder was in die tijd een beetje een fenomeen die een vaste auteur was van stukjes in “De Jonge Onderzoeker” en bladen als “Archimedes” en “Phytagoras.” Het was een bijzondere man met heel bijzondere verhalen en een bijzondere manier van lesgeven. Henk Mulder was typisch een docent
voor goede leerlingen, die hij heel erg kon stimuleren. Met slechte of matige leerlingen had hij weinig geduld. Wie Natuurkunde of Wiskunde koos omdat dat goed in een pakket paste maar er eigenlijk geen aanleg voor had, had aan Henk een slechte keuze! In die tijd vond ik Wiskunde een heel leuk vak en lag ik gemiddeld een half boek voor op de rest van de klas, ook natuurkunde en scheikunde
(van Satijn)
leken wel als vanzelf te gaan. Op het VWO had ik twee vrienden Henk Huijgen en Bruno Mulder. Met name met Henk trok ik heel regelmatig op.
Henk Mulder was voorzitter en ook enig lid van de Nederlandse tak van natuurkunde leraren club van de Unesco. Van die, in de Nederland grotendeels slapende organisatie, ontving hij op een gegeven moment een uitnodiging voor een Natuurkunde kamp in Brecia in Noord-Italië. Tijdens een les in 5 VWO vertelde hij van die uitnodiging en gaf die uitnodiging vervolgens demonstratief aan mij met de mededeling dat iedereen die geïnteresseerd was zich maar bij mij moest melden. Hoewel zo’n avontuur eigenlijk helemaal niets voor mij was, ik was net het jaar daarvoor met een schoolreis pas voor het eerst in het buitenland (Londen) geweest, voelde ik me toch min of meer verplicht om te gaan. Samen met Marcel van der Wal, een klasgenoot, ben ik toen gegaan. We zijn met de nachttrein eerst naar Milaan gereden en vervolgens van daaruit naar Brecia. Daar aangekomen werden samen met een Duitse Jongen en Meisje en één Franse jongen netjes opgepikt en vervolgens met een hele meute Italiaanse scholieren naar twee hutten in de bergen gebracht. Daar werden experimenten gedaan, maar werd er vooral lekker gegeten! Het was een ervaring die ik achteraf voor geen goud had willen missen.
Figure xx. Op natuurkunde kamp in Italie. Klik hier voor meer foto’s
Halverwege de bouw van mijn grote “dekker systems” rek was ik het plotseling even helemaal zat om aan zo’n enorm langdurig project te werken. Ik had ineens enorme behoefte iets te maken wat snel klaar was en wat ook wat handzamer was als dat enorme rek. Dit is eigenlijk een keerpunt geweest omdat ik vanaf dat moment de ambitie om een systeem te maken dat kon concurreren met commerciële microcomputers overboord zette en vanaf dat moment ging voor dingen die gewoon leuk waren, alhoewel …
Dat kleine systeempje werd mijn “Piccolo” systeem dat ik nog steeds heb, en dat ook nog steeds werkt! Ik weet niet hoelang ik aan het systeempje gewerkt heb, maar erg veel langer dan een week kan het niet geweest zijn. Het was een geweldig ding, waar ik ongelofelijk veel plezier van heb gehad. Ook was dit het eerste project dat geheel op experimenteerbord was gebouwd, zij het nog niet met teflon draad. Het piccolo systeem was eigenlijk heel flexibel en had de mogelijkheid om 2716 EPROM’s te programmeren. De adressen voor de EPROM werden gegenereerd met een HEF4040 binaire teller.
Figure xx. Het grote “Dekker System” SC/MP systeem was zo’n grote onderneming dat het een verademing was dit kleine “Picollo” systeempje in een paar dagen te bouwen. Ik heb het nog steeds en ik heb het in feite veel meer gebruikt dan het grote systeem.
Klik hier voor een grotere foto.
Bij al dit knutselwerk had ik eigenlijk alleen maar de beschikking over mijn universeelmeter. Mijn oscilloscoop was leuk, maar nagenoeg ongeschikt voor het debuggen van microprocessor schakelingen. Iets wat ik hiervoor wel gebruikte, en waar ik enorm veel plezier van heb gehad was een kristal oortelefoontje. Tussen massa en data of adres lijnen is van alles te beluisteren wat een aardige indruk geef van de werking van het circuit. Op een gegeven moment publiceerde Elektuur een “digiscoop”. Dit was een oscilloscoop voor digitale signalen. De CRT in deze scoop was vervangen door twee rijen LED’s die uitsluitend een hoog of laag niveau aan gaven. Ik vond dat een geweldig idee en heb er op breadboard niveau wat mee zitten prutsen. In praktijk viel het idee wat tegen maar ik had er inmiddels wel een actieve probe voor gemaakt (Fig. xx). Die probe bevatte drie ledjes waarvan de eerste het logische niveau van de ingang weergaf, en de twee andere ledjes verbonden waren met de normale- en inverterende uitgang van een JK-flipflop waarvan de ingang ook met de ingang van de probe was verbonden. Op deze manier waren heel eenvoudig flanken te detecteren. Op de probe zat ook nog een drukkopje dat aanvankelijk bedoeld was als manual trigger voor de “digiscoop” maar dat in stand-alone toepassing van de probe ook prima als “gedebounced” digitaal signaal bruikbaar was. Kortom de probe was een ideaal testinstrumentje waar ik heel veel plezier van heb gehad.
Figure xx. Deze logische probe heb ik jaren gebruikt bij het testen van digitale schakelingen.
Het is vandaag de dag bijna niet voor te stellen dat printers ooit hele dure dingen waren. Jaren lang heb ik er van gedroomd een mechanische teletype te bezitten wat er nooit van gekomen is. Maar op een zekere dag had Klaas Reichardt een defecte rekenmachine met een thermisch printertje
te koop voor tien gulden. Dat was een buitenkansje. Een paar maanden daarvoor had Elektuur een thermisch printerproject voor de hun SC/MP systeem beschreven, maar daar was een hele dure printer module voor nodig. Ik kocht het printerje in de hoop dat zich daarin de benodigde elektronica en mechanica zou bevinden. En dat was ook zo! Door wat printspoortjes door te krassen kon ik de voeding inclusief de driver-transistors van het rekenmachientje gebruiken en aangesloten op mijn SC/MP systeem vormde het een leuk printertje waar ik veel plezier van heb gehad. Een gehele kerstvakantie werd besteed aan het aanpassen van de hardware en het schrijven van de benodigde software. Het was geweldig om
het programma stapje voor stapje uit te breiden en ik weet nog goed hoe ik met een printstrookje in mijn zak naar de oudejaar dienst in de Hervormde kerk ben geweest.
Naar de kerk gaan deed ik in die tijd trouwens vrij fanatiek. Wij allemaal trouwens. Mijn vader was natuurlijk al sinds mensenheugenis ouderling en kerkeraadsvoorzitter en mijn moeder regelde het preekrooster. Het was een soort familiebedrijf. Vaak ging ik zelfs twee keer op een zondag met mijn vader mee naar de kerk. Daar kon ik dan tijdens de preek heerlijk afdwalen in mijn gedachten. In de kerk hing boven de ouderlingen een groot houten bord met daarin de Gezangen en Psalmen. Hoe het precies zo gekomen is weet ik niet meer, maar jaren lang heb ik de bordjes waarop de nummers stonden in dat bord geschoven. Ik mocht dan voor de dienst met mijn vader mee in de consistorie waar we samen met de andere ouderlingen en diakenen op de dominee zaten te wachten. Die had dan meestal een briefje met de liederen die ik dan snel in het bord schoof en ik de kerk ophing. De protestantse kerken in die regio en in die tijd waren trouwens behoorlijk zwaar op de hand. De invoering van het liedboek was bijvoorbeeld een drama. Op een gegeven moment was er een dominee die in de preek stelde dat het niet goed was om over zulke kleine dingen zo’n verbeten strijd te voeren, waarop tijdens de preek meneer van Wensen riep: “niet doen dominee, geen verwarring stichten!” We hadden soms een organist uit Klundert, een jonge vent van in de twintig, die na de invoering van het liedboek van zijn moeder niet meer mocht komen spelen. De samenwerking met de Hervormde en Katholieke kerken in Moerdijk was minimaal en bleef beperkt tot drie gezamenlijke diensten met “de Hervormden” per jaar: met Kerts, Oud en Nieuw en met Pasen. In beide kerken zat maar een handje vol mensen, maar toch zaten beide kerken er financieel goed bij omdat er royaal werd gegeven. De Hervormden konden er een eigen dominee (of iets wat daarvoor door moest gaan) op na houden. In mijn jeugd was dat dhr. Malipaard. Bij hem gingen we op catechisatie in de Hervormde pastorie. Dat ging aan de hand van een boekje in de trend van: en toen beklom … de berg … en zei tot het volk … etc. Onze kerk deelde vele jaren een dominee met Klundert. Heel lang was dat Dominee Haaksma (zie foto links) die een vertrouwd gezicht was op de kansel. De kerk in Moerdijk heeft nog tot 28 Augustus 2005 bestaan. Mijn moeder was toen al naar Valkenswaard verhuist en samen zijn we toen naar de afscheidsdienst geweest.
In die zelfde tijd heb ik in opdracht van mijn vader een temperatuur regeling voor de centrale verwarming gemaakt.
Mijn vader helemaal verzot op het “rommelen” met de temperatuur regeling van de centrale verwarming. Al in Rotterdam had hij in zijn boekenkastje een kastje met een lampje en een schakelaar gemaakt, zodat hij van beneden af in de gaten kon houden of de ketel aanstond en met de schakelaar de ketelwater temperatuur kon veranderen. In moerdijk werd die schakeling uitgebreid met een buitenthermostaat en een schakelklok. Als het buiten kouder werd, schakelde de ketel over op een hogere ketelwater temperatuur. s’ Nachts werd teruggeschakeld naar een lage ketelwater temperatuur. Op een gegeven moment had mijn vader een artikel gevonden in het “Poly Technisch tijdschrift,” waarin iemand een artikel had gepubliceerd waarin een continue regeling van de ketelwater temperatuur, afhankelijk van de buiten temperatuur werd beschreven. Gebaseerd op dit artikel heb ik toen een op een SC/MP microprocessor gebaseerde schakeling gemaakt die precies het zelfde deed. Met twee NTC’s werden de ketelwatertemperatuur en de buitentemperatuur gemeten. Twee 555 timers zetten de weerstandswaarde van de NTC’s om in een puls waarvan de breedte door de microprocessor werd gemeten. Toen de schakeling klaar was, werd die in een provisorische opstelling getest en bleek deze prima te werken. Vervolgens heeft de hele opstelling, tot grote ergernis van mijn moeder, meer dan tien jaar tot volle tevredenheid de ketelwatertemperatuur geregeld (Fig. xx).
Figure xx. Links, centrale verwarming regeling met een SC/MP. Rechts, de thermische printer naast mijn SC/MP systeem.
Het eindexamenjaar op het VWO was net zoals op de HAVO behoorlijk enerverend. Gedurende het jaar waren er drie schoolonderzoek periodes. Zenuwachtig als ik was had ik twee dikke ordners vol met uittreksels gemaakt die voor ieder schoolonderzoek tot laat op de avond bestudeerd werden. Ik ben uiteindelijk met een heel mooie cijferlijst geslaagd. Na de diploma uitreiking volgde er een periode waarin iedereen een examenfeest gaf. Ik was toch wel voor een behoorlijk aantal feestjes uitgenodigd die ik op de brommer van Ireen bezocht. Een van de leukste feesten werd gehouden in een oud schoolgebouw net buiten Breda langs het spoor. Op een of andere manier belande ik achter de tap waar ik de hele avond voor iedereen biertjes tapte. Tijdens het tappen kwam van Strien, mijn oude leraar Engels van de HAVO, mij trots vertellen dat ik het hoogste cijfer voor het centraal schriftelijk voor Engels had van de hele school: een 9.5! Niet gek voor iemand met een exacte aanleg. Ik heb zelf geen feest gegeven. Zowel ikzelf als mijn ouders hadden geen flauw idee hoe je zoiets moest aanpakken. Het is ook nooit ter discussie gekomen.
Naast al die feesten was het voor mij ook een periode van grote onzekerheid. Ik was op het VWO erg gelukkig geweest en zag erg op tegen de nieuwe periode in Eindhoven. Daar kwam nog bij dat het in die periode overduidelijk werd dat het huwelijk tussen mijn vader en moeder scheurtjes vertoonde. Naar mijn idee werd mijn vader steeds meer “een moeilijke man,” die vaak om kleine dingen boos werd en dan dagen of zelfs weken zijn mond hield. Vaak hing er over het huishouden en ons gezin een donkere wolk, “omdat er weer eens iets was.” Met name tussen Ireen en mijn vader kon het vaak enorm botsen. Mijn moeder en ik wilden mijn vader nog wel eens ontzien en hem naar zijn mond praten of zijn zin geven, maar Ireen kon dat niet en vertelde hem de waarheid waar hij absoluut niet tegen kon. Ireen was dan uiteraard de gebeten hond. Behalve het warme eten leefde iedereen eigenlijk op zijn of haar eigen kamer. Het is denk ik aan een buitenstaander heel moeilijk uit te leggen hoe iemand met zijn humeur een stempel kan drukken op de sfeer in een compleet huishouden, maar toch was het zo. Hele vakanties werden bedorven omdat er ruzie was. Uit ongenoegen en eenzaamheid ben ik in de middelbare schoolperiode te veel gaan eten. Ik maakte later vaak het grapje dat ik in de brugklas al “door de 100kg” ging. Tijdens de militairedienst keuring in 5 HAVO woog ik al 120kg. Om het allemaal nog meer te accentueren liet ik ook nog een baard staan. Ik had ontdekt dat ik door vrolijk te zijn en grapjes te maken vrienden kon krijgen, maar ik was eigenlijk erg eenzaam. Maar ja, wie voelt zich dat op die leeftijd nou niet?
| to top of page | back to homepage |
In de vierde klas ben ik ook plezier gaan krijgen in Engels. In de vierde en vijfde klas HAVO had ik een geweldige leraar Engels: van Strien. Rond kerst “deed” van Strien altijd “a Chrismas Carol” van Charles Dickens. Hiervoor had hij een geannoteerde studenten versie op stencil die vergezeld ging van een band die over een aantal lesuren verdeeld werd afgespeeld. Het verhaal van “A Christmas Carol” kende ik al een beetje.
| to top of page | back to homepage |
Het had altijd als een paal boven water gestaan dat ik elektrotechniek zou gaan studeren. In de tijd dat ik nog op de HAVO zat zou dat de HTS in Breda zijn geworden en nu ik het VWO had gedaan, werd de keus natuurlijk de Technische Hogeschool zoals de TU toen nog heette. Omdat ik een aantal vriendjes had die ook naar de TH in Eindhoven gingen (Ronald Damstra, Anton Heijs, Willem gruyter, Marcel van der Wal), ging de eerste keus voor mij ook naar Eindhoven uit. Gedurende het examenjaar ben ik met mijn vader en moeder naar een opendag van de TH gegaan. Ik kan me er niet veel meer van herinneren, alleen dat de college zalen een grote indruk op me maakten en dat we een preek kregen over hoe anders het studenten leven was in vergelijking met de middelbare school en hoe veel studenten het eerste jaar afvielen. Ik voelde er me heel onzeker en knap ongelukkig. Aan mijn ouders, hoe goed ze het ook bedoelden, had ik niet veel steun. Ook zij hadden echt geen idee wat studeren inhield.
Figure xx. De uitreiking van de SHELL beurs op 18 september 1981.
Klik hier voor meer foto’s en het artikel uit het Shell blad “Moerdijk te kijk.”
De allerlaatste keer dat ik op school was staat me nog goed voor de geest. Ook hoe ik me er toen heel erg van bewust was dat het de allerlaatste keer was en dat het de afsluiting was van een periode die ik heel erg leuk had gevonden en waar ik succes had gehad. Na de laatste examenfeesten brak een heel nieuwe en onzekere periode aan. Ik had toen, nog veel meer dan nu, heel veel moeite met nieuwe dingen. Ouders van kinderen die gingen studeren konden destijds bij de SHELL een beurs aanvragen. Die werd niet automatisch toegekend. De kandidaat studenten werden eerst door een speciale commissie in het SHELL hoofdkantoor in wassenaar ondervraagd. Wat precies de criteria voor toekenning waren weet ik niet precies meer, maar op een of andere manier ben ik er doorheen gerold en kreeg ik de beurs. Dat was een grote meevaller. Het ging elke maand om relatief veel geld en ik heb er heel veel plezier van gehad.
Van het begin af aan was het duidelijk dat ik in Eindhoven op kamers zou gaan wonen. We hadden alleen geen idee hoe je aan zo’n kamer moest komen. Er was weliswaar een studentenhuisvestings bureau, maar daar was de wachtlijst enorm. Ook mijn ouders hadden hier natuurlijk geen enkele ervaring mee. Op een gegeven moment had mijn vader bedacht dat hij als voorzitter van de kerkenraad de voorzitter van de kerkenraad in Eindhoven wel eens kon bellen. Die zou misschien wel wat weten en bovendien was dat vertrouwd! Dat leverde natuurlijk ook niets op. Naar mate de vakantie verstreek werd ik steeds wanhopiger. Nadat ik een keer volledig overstuur was omdat er maar niets gebeurde, heeft mijn moeder in het Eindhovens Dagblad een advertentie geplaatst voor “een rustige jongen die een kamer zoekt.” Die advertentie leverde exact één reactie en we zijn nog dezelfde dag gaan kijken. Het ging om een gemeubileerde zolderkamer bij de familie Warbroek in de Louise de Coligystraat 34 in Eindhoven. Het was voor mij een lot uit de loterij! Robert, de zoon van meneer en mevrouw Warbroek was onlangs op kamers gaan wonen en nadat meneer Warbroek de kamer had opgeknapt kon hier nu een studentin wonen. Dat hadden ze vroeger ook al gedaan voor Robert de kamer kreeg. Het kikte gelijk met de familie Warbroek en ook de kamer voelde direct goed aan. Er stond een groot bureau net zoals ik thuis had, er was een wastafel, een mooi groot klapraam met een schuif tegen de zon en een achterraam dat uitkeek op de tuintjes achter de huizen. De huur was met 250 gulden per maand ook heel redelijk. Voor iets meer kon ik ook gebruik maken van de badkamer van de familie, maar dat leek me helemaal niets, bovendien was de bedoeling dat ik ieder weekend naar huis zou gaan en dus was dat ook helemaal niet nodig! Eten zou ik ’s avonds met mijn vrienden in de Mensa doen.
Figure xx. Een gedeelte van onze intro-groep tijdens het eerstejaars practicum Auto Didactos I (ADI).
Klik hier voor een grotere versie van de foto.
Op de zaterdag van het weekend voor de introductieweek hebben mijn vader en moeder me met wat spulletjes naar Eindhoven gebracht. Veel was er niet te verhuizen: wat bordjes en bestek, een oude radio, een oude waterkoker van mijn ouders, kleding, beddengoed en natuurlijk mijn schoolspullen. Ook mijn middelbare schoolvriendjes waren die zaterdag verhuist en nadat we in de middag Eindhoven een beetje verkend hadden zijn we ’s avonds Chinees gaan eten tegenover het station. De introductie week was best leuk. Om te voorkomen dat beginnende studenten het eerste jaar verloren zouden gaan in de massa, werden de eerstejaars opgedeeld in groepjes van ongeveer tien studenten, die als groepje de introductie week doorliepen en vervolgens ook het hele eerste jaar allerlei practica en instructies samen deden. Dat systeem werkte heel goed en ik ben tot in mijn laatste jaar met studenten uit mijn “introgroep” opgetrokken. Elke introgroep stond onderleiding van een ouderejaars student, en er was een heel programma om alle aspecten van het studentenleven te leren kennen.
Ik herinner me er allemaal niet zoveel van, alleen dat ik me jammer genoeg avonds zoveel mogelijk aan het sociale programma heb proberen te onttrekken.
Figure xx. Meneer en mevrouw Warbroek voor Louise de Colignystraat 34 (22-4-1988). Klik hier voor meer foto’s.
Ik vond de eerste jaren van mijn studie heel enerverend. Al vanaf de kennismakingsdag werd er door iedereen op gehamer hoe zwaar de studie was en hoeveel eerstejaars studenten zouden afvallen. We begonnen het eerste jaar met 310 elektrotechniek studenten waaronder twee meisjes! Tijdens vrijwel ieder college werd door de professoren het grapje gemaakt: ‘Kijkt u eens links en rechts van u, zei zullen het einde van het jaar niet halen.’ Dat werkte op mij althans heel demotiverend. Door continue de nadruk te leggen op de zware en vervelende kanten van de studie, kwamen de leuke kanten helemaal niet aan het licht. Sommige vakken werden ook ronduit beroerd gegeven. Halfgeleider fysica van Groendijk was zo’n vak. Iedereen wist dat dit een college was dat intens saai en verouderd was. Maar ja, Groendijk zat net voor zijn pensioen en men liet hem maar gaan want je kon zo’n oude man toch moeilijk zeggen dat zijn college op die manier toch echt niet meer kon! Het gevolg was wel dat generaties studenten (waaronder ik) binnen één semester een intense hekel aan dit vakgebied ontwikkelden. Hetzelfde gold, in iets mindere mate, voor wiskunde. Het eerste jaar had je wiskunde 10 en 20. Dat ging de jaren daarna door tot wiskunde 50. Al tijdens het eerste college wiskunde 10 gaf de docent (Simons) volmondig toe dat het dictaat verouderd was en dat niemand er echt gelukkig meer mee was. Maar, aan een nieuw dictaat werd al een paar jaar gewerkt en zolang konden we met het huidige dictaat nog wel even vooruit. Op de middelbare school vond ik wiskunde geweldig leuk en was het een beetje een soort tweede hobby. Dat was na een semester wiskunde op de TH helemaal over. Het was een saaie opsomming van stellingen, lema’s en bewijzen. Twee keer in de week ’s middags was er dan wiskunde instructie waarbij er in klassikaal verband sommen werden gemaakt.
Het meest beruchte en moeilijkste vak was: “Elektriciteit en Magnetisme.” Omdat in het verleden was gebleken dat dit door studenten als heel moeilijk werd ervaren en dat veel eerstejaars hierover uiteindelijk “stuikelden,” was hiervoor een uniek toetssysteem opgezet, waardoor iedereen dit vak in zijn eigen tempo kon doen. Er werd wel fijntjes bij gezegd dat dat tempo wel voldoende hoog moest liggen. Het college werd gegeven door Emck. Die was toen ook al behoorlijk op leeftijd en alhoewel hij het ongetwijfeld goed bedoelde, slaagde ook hij er niet in ons voor het vak te enthousiasmeren. Jammer, want het is eigenlijk een heel leuk onderwerp. Het hele dictaat was opgedeeld in wel 15 of meer hoofdstukken en per hoofdstuk moest je een toets afleggen. Daarvoor was er in de kelder van W-hoog een toetsruimte ingericht. Als je een toets ging doen, kreeg je daar een opgavenboek en een schrapkaart. De computer genereerde dan een aantal willekeurige vragen, waarna je in een toetsruimte dan de hele middag de tijd had om de opgaven te maken. Nadat je op de schrapkaart de meerkeuzen antwoorden had ingevuld werd die door de computer direct nagekeken en kreeg je ook direct de uitslag. Het eindcijfer voor het vak werd ongeveer als volgt bepaald: je begon met ongeveer een 3.0. Elke keer als je een toets helemaal goed had kreeg je hier ongeveer 0.3 punt bij. Had je een of meerdere vragen fout, dan was dat natuurlijk minder. Had je voor de toets een onvoldoende dan kreeg je er niets bij en moest je hem overdoen. Zo kroop je langzaam van een onvoldoende naar een voldoende. Ik vond het geheel zenuwslopend en nam het allemaal veel te zwaar op, en uit angst bij een toets te falen, besteede ik veel te veel tijd aan dit ene vak, wat ten koste ging van de andere vakken.
Figure xx. Koffie drinken in de AOR beneden bar na het eten in de mensa.
Van link naar rechts: een stukje Eric van Broekhoven, Ronald, Peter van de Haar, Piet Boonen, Peter Faasse,
Anton Heijs en Paul van Bemmelen.
s’ Avonds at ik met een vast groepje vrienden in de mensa. Aanvankelijk waren dit de vrienden die ik nog uit Breda kende: Ronald Damstra, Anton Heijs en Willem Gruijter. We spraken om ongeveer vijf uur af bij de garderobe, gingen dan eten, en dronken dan nog wat in de beneden bar van de AOR (Algemene Ontspannings Ruimte). Gedurende de jaren veranderde het eet groepje langzaam. Tegen het eind van mijn studie bestond het groepje uit o.a.: Peter Faasse, Peter van de Haar, Paul van Bemmelen, Pier Boonen en Eric van Broekhoven. Ik merkte dat het op deze manier studeren mij niet makkelijk afging. Het tempo was hoog en omdat er op mijn kamer weinig gezelligheid was bleef ik vaan te lang in de AOR hangen, waardoor er van studeren s’ avonds niet veel meer kwam. Bovendien lag het systeem van tentamenperiodes mij helemaal niet. Omdat ik nooit voor een zes durfde te gaan, ging ik voor bepaalde vakken veel te hard leren, waardoor andere vakken in het gedrang kwamen. Hierdoor moest ik elk jaar na de zomer vakantie wel een aantal vakken inhalen. Om daar thuis in Moerdijk de nodige rust en koelte voor te kunnen vinden ging ik dan vaak hele dagen in de consistorie van de kerk zitten werken.
Figure xx. Mijn collegekaart bestond uit twee gedeelten: de stamkaart (hier op de foto) en een inlegkaartje dat ieder jaar nieuw werd afgegeven. De collegekaart moest bij ieder tentamen worden meegenomen. Mijn studentennummer was 176969.
De eerste jaren waren het moeilijkst. Ik was toen ik van de middelbare school af kwam al veel te zwaar, en dat probleem werd op de TU nog veel erger. Om de een of andere vreemde manier had ik een enorme hekel aan fietsen in die tijd. Daarom liep ik elke ochtend naar de TU. Ook had ik bedacht dat ik ’s ochtends voordat de colleges begonnen eerst moest gaan zwemmen. De onvrede met mijzelf en de situatie waar ik me in bevond at ik weg, door ’s ochtends voor het zwemmen (dus om een uur of half zeven) eieren met worstjes en spek te bakken. Ook in de pauzes werd er het nodige gesnoept, waardoor het niet verwonderlijk was dat ik na verloop van tijd meer dan 135 kg woog! Het tweede jaar was zo mogelijk voor mij nog moeilijker. Daar kwam nog bij dat de situatie thuis ook steeds vervelender werd. Er was steeds vaker ruzie en ik had er grote zorgen om. Ik heb in die tijd ook een poosje hulp gezocht bij de studenten psychologen. Die waren blij dat er iemand langs kwam en hebben me eindeloos aan het lijntje gehouden. Wel heb ik er ontspanningsoefeningen geleerd, waar ik nu nog steeds plezier van heb.
In het tweede of derde jaar kreeg ik een brommertje dat ik overgenomen had van Annie de Roos uit Zevenbergsenhoek. Het was een Vespa Boxer met midden vering. Een heerlijk ding waar ik jaren met heel veel plezier op gereden heb. Piet Boonen die ook lid was van ons mensa clubje was lid van de E.C.A.: de Eindhovense Computer Associatie. Dat was een vereniging van computer hobbyisten die heel zwaar op Philips leunde en die een “clubhuis” hadden in een oud schoolgebouw ….. vlak bij de oude “Philips Ambachtsschool.” Het leuke was dat je er heel goedkoop onderdelen kon kopen. Die onderdelen kwamen van de het “non-ferro gedeelte” van de “Philips Dump” af. Je kon de ene week een bestel lijstje invullen (max 8 regels en max 8 stuks per regel) en dan de volgende week de onderdelen afhalen. De meeste onderdelen koste 10 cent per stuk. Dit was voor mij fantastisch. Altijd was alles te duur geweest en nu was er zoveel ik maar wilde hebben. Die Philips Dump was een heel bijzondere plek op het industrie terrein “de hurk.” Het was de plaats waar alle bedrijfsafval van Philips in Eindhoven werd verzemeld en gescheiden. Er was een gedeelte buiten (de ferro) en een gedeelte binnen (de non-ferro). Het gedeelte buiten was twee keer per week op dinsdag en donderdag om 16:00 een uurtje open voor geïnteresseerden en opkopers. Die stonden al een kwartier voor opening voor het hek en stormen als het hek openging naar binnen voor de beste koopjes. Alles ging daar weg voor oud metaalprijs. Ik heb er veel draad en transformatoren gekocht. De non-ferro was veen interessanter maar daar mocht je alleen naar binnen met een Philips batch. Ze hadden daar onderdelen en elektronica. Het heeft tot mijn stage bij Philips geduurd eer ik daar naar binnen mocht. Peter Faasse die ook graag knutselden en ik gingen vaak naar de dump voor we naar de mensa gingen. Hij had ook een brommertje en kwam me dan op mijn kamer oppikken, waarna we samen naar de Philips Dump gingen en daarna snel naar de mensa reden om met de rest te kunnen eten. Het was een leuke routine.
Figure xx. Mijn labvoeding die al meer dan 25 jaar goede diensten bewijst
Klik hier voor meer foto’s.
De toegang tot spotgoedkope onderdelen zowel via de ECA als via de “Philips Dump” was een ongekende luxe. Een van de eerste dingen die ik hiermee gemaakt heb was een kleine handzame universele voeding die ik nog steeds gebruik. De voeding was gemaakt rond één van de bekende blauwe Philips transformatoren met vier gescheide secundaire wikkelingen van 15 Volt. De voeding heeft dan ook vier volledig gescheide vaste uitgangen van +5, -15, +15/+12 Volt en een regelbare uitgang van 4-17 Volt. Via stekkers op de voorkant van het kastje kunnen de diverse spanningen naar believen met een gemeenschappelijke massa worden verbonden of indien nodig “worden gestapeld.” Het houten kastje voor de voeding had ik zelf in de garage gemaakt. Het was wonderwel gelukt, en luide een periode in waarin ik zelf van triplex kastjes maakte voor mijn knutseldingen. Omdat de sfeer vaak binnen niet te harden was, was het heerlijk om in de stilte van de garage aan een kastje te prutsen.
Figure xx. Nadat ik was afgevallen tot onder de honderd kilo moest natuurlijk die baard er ook af.
Met enig historisch besef hebben we daar een foto voor en een foto na van gemaakt.
Zoals al vermeld waren de eerste jaren van mijn studie voor mij niet gemakkelijk. Ik verwaarloosde mijn uiterlijk en was veel te zwaar geworden. Op een gegeven moment was ik dat helemaal zat. Wat nu precies de aanleiding was om op dieet te gaan weet ik niet precies meer, wel weet ik nog dat mijn moeder op een opmerking van mij dat het met mijn gewicht allemaal nogal meeviel reageerde met: “kind, je hebt een figuur om niet goed van te worden!” Nou als je moeder zoiets zegt, dan komt dat nogal
aan! Ik ben vervolgens drastisch minder gaan eten. Ik studeerde in die periode veel thuis, waardoor de verleiding om in de kantine vette happen te eten niet aanwezig was. In het begin was het dieet heel matig. Zo vond ik het al heel wat dat ik ’s ochtends geen eieren met spek meet bakte, maar “slechts” twee boterhammen met (dik) cornedbeef at! Toen ik merkte dat het ook echt lukte om gewicht te verliezen werd ik fanatieker. Op een gegeven moment at ik overdag alleen nog maar droog (geroosterd) brood en komkommer. ’s Avonds at ik in de mensa één bord, maar als er friet was mocht ik van mezelf een bord bijhalen. Er was één ding waar ik de hele week naar uitkeek: friet in het weekend! Al van oudsher werd er bij ons thuis op zaterdagavond friet gehaald. In de eerste jaren was er in Moerdijk nog een echte frietzaak aan de haven. Nadat die gesloten was, kwamen Kees and Annie van Roosendaal een aantal dagen in de week met hun frietwagen vanuit Bergen op Zoom friet verkopen op het gasveldje tegenover de katholieke basisschool. Die friet en vooral de satésaus waren – en zijn nog steeds – legendarisch! Elke Zaterdag at ik boven op mijn kamer voor de televisie een extra grote friet satésaus (saus tussen
de friet) met een sitostick satésaus. Ook toen ik op dieet was bleef ik dat doen en het vooruitzicht hierop was heel voor mij heel belangrijk om het vol te houden. Ieder weekend als ik thuis kwam, was het eerste wat ik deed me wegen. Op een gegeven moment verloor ik wel 2.5 kg per week! Het gekke is dat in mijn herinnering dit allemaal veel later in mijn studie is gebeurd toen ik helemaal geen colleges meer bezocht, maar toch is dat niet waar. In mijn knutselboek staat heel duidelijk de trotse vermelding dat ik op 4 augustus 1983, na sinds de brugklas meer dan 100 kg te hebben gewogen, voor het eerst weer precies honderd woog.
Figure xx. In de zomer van 1983 werd er hard aan het Digifix project gewerkt. Ik weet nog dat het een hele hete zomer was en dat de Nederlandse wielrenners het goed deden. De figuur rechts toont boven de print van de programmeerbare voeding en onder de SC/MP microcontroller print. Klik hier voor een grotere foto van de printen.
In het tweede jaar van mijn studie kreeg ik het idee voor een universeel meetapparaat. Dit idee was gedeeltelijk gebaseerd op het meetapparaat van Jaap de Roos dat ik wel eens mocht lenen en anderzijds was het gebaseerd op de Tektronix oscilloscopen die ik op de TU had gezien en die je op een karretje naast je werktafel kon rijden. Bovendien was ik in die tijd helemaal gek van het blad “HP Journal,” waarin HP de werking van hun meest geavanceerde meetapparaten uitlegde. Mijn universele meetapparaat zou in één kast een programmeerbare voeding, een pulsgenerator, een frequentieteller en een “digiscope” bevatten, dit alles aangestuurd door een SC/MP microprocessor. De digiscope was een op een schakeling uit elektuur gebaseerde digitale oscilloscoop waarin de CRT buis vervangen was door een rij LEDs. Het was een van die monster projecten die eindeloos waren en die eigenlijk heel frustrerend waren omdat ze nooit af kwamen. Het hele project werd toepasselijk Digifix genoemd. De foto in figuur xx is genomen in de zomer van 1983. Behalve de een groot gedeelte van de kast waren er toen de voedings en CPU print af. De toetsen kwamen van een oude Burroughs rekenmachine die ik ooit van Jaap de Roos had gekregen. Het was een van de laatste projecten waarbij voor de bedrading (behalve een enorme hoeveelheid soldeertin) gewoon montagedraad werd gebruikt. Dit waren inmiddels niet meer de draad restjes die ik voor het Picollo systeem had gebruikt, maar het soepele montagedraad waarvan ik op de TU twee rollen had gekocht en die ik nog steeds gebruik. Voor het vastleggen van ideeën en schema’s voor het Digifix project had ik een kladblok gemaakt dat bestond uit een gebonden stapel printerpapier die ik in het rekencentrum had gevonden. Voor het eerst legde ik nu systematisch alles vast wat ik knutselde. Het boek heeft ruim vier jaar dienst gedaan.
Figure xx. Mijn Kladblok waarin jaren lang alle schema’s, programma’s en ideeën werden opgeschreven.
Rechts het schema van het keuken licht. Klik hier voor een grotere foto van de het schema.
Een van de meest nuttige schakelingen die ik in die jaren heb gemaakt was een kleine schakeling die het licht in de keuken bediende. In de keuken in Moerdijk hing namelijk een dubbele 2x40 Watt TL-balk. Mijn vader had er al tijden over lopen peinzen hoe hij s’ avonds die grote TL balk kon omschakelen naar een klein en zuinig 8 Watt buisje. Maar hoe hij het ook wende of keerde, dat vereiste altijd dat er een extra draad moest worden getrokken en daar zat niemand op te wachten. Op een gegeven moment kwam ik op het idee om beide lampen via dezelfde schakelaar te bedienen. Na wat puzzelen kwam ik op een heel simpel maar toch heel ingenieus schakelingetje met twee relais. Het was in een paar uur ingebouwd en functioneert al bijna 25 jaar zonder problemen. In 2004 is de TL-balk zelf meeverhuist met mijn moeder naar Valkenswaard, maar ik ben bang dat het nu toch zijn langste tijd heeft gehad.
Figure xx. De EPROM simulator die een 2716 simuleerde en kon worden uitgebreid tot een 2732.
Klik hier voor het schema.
Een van de ideeën achter het digifix meetapparaat was dat het via een seriële interface allerlei randapparaten zoals een EPROM programmer en een EPROM simulator zou kunnen aansturen. De EPROM programmer is nooit
gebouwd, maar de EPROM simulator wel. Cruciaal hierbij was de seriële interface. Die was zo ontworpen dat allerlei randapparatuur via een 4-aderige telefoonsnoer van stroom kon worden voorzien en kon worden bediend zonder dat er in het randapparaat intelligentie aanwezig hoefde te zijn. Dat was namelijk lekker goedkoop. Om storingen te vermijden was de interface galvanisch gescheiden van het besturende apparaat via opto-couplers. Het protocol was vrij complex maar werkte feilloos. Met twee oplaadbare batterijtjes werd de RAM in de simulator van stroom voorzien wanneer deze niet met een voeding was verbonden. Voor de bedrading van de schakeling gebruikte ik voor het eerst teflondraad. Van Rene Debets had ik een hele kluwen teflondraad gehad. Aanvankelijk vond ik dat maar vervelend werken omdat het zo moeilijk te strippen is. Toen ik dat trucje eenmaal onder controle had bleek het geweldig te werken en is tot op heden nog mijn voorkeur techniek. Tijdens de bouw van de simulator is oma van den Berg overleden. Ireen en ik waren toen in London. Oma was al slecht voor we gingen. Terwijl we in London waren verslechterde de situatie verder. Op een gegeven moment belden we vanuit een telefooncel in Victoria Station om te vragen hoe het met oma ging, toen we te horen kregen dat ze was overleden. De begrafenis was een paar dagen later. We waren allemaal verdrietig en ik weet nog hoe mijn moeder nu voor het eerst het gevoel had dat ze nu voor het eerst echt helemaal alleen was. Vreemd te bedenken dat ze nog ergens een halfbroer had rond lopen.
Figure xx. Mijn frequentieteller op basis van de SC/MP
Klik hier voor een grotere foto of hier voor het schema.
Een van de leukste knutselprojecten uit die tijd was een frequentietellertje op basis van de SC/MP. Het was een van die projecten die mogelijk werden omdat ik nu via de ECA goedkoop aan onderdelen kon komen. Ze verkochten daar namelijk (voor 10 cent) de GZF1201 welke equivalent is met de HE4737. Dit ontzettend handige IC bevat vier decade tellers die gemultiplext uitgelezen kunnen worden. Een ontzettend leuk IC dat er gewoon om vraagt om te worden verwerkt in een frequentieteller. Het hele project is volgens mij in een weekend in elkaar gezet en bij het schrijven van het programma deed de EPROM simulator handig dienst. Op de foto is te zien dat ik het werken met teflon draad al aardig onder controle had, alleen zou ik dat nu nog strakker willen leggen. Het display kwam natuurlijk uit een oud rekenmachientje. De IC voetjes kwamen in die tijd van oude computer printen van Jaap de Roos. De voetjes op deze printen lieten zich vrij eenvoudig verwijderen. Eerst werd het plastic omhulsel van de print getrokken, waarna een voor een de pinnetjes van de print werden verwijderd met de soldeer bout. Nadat deze waren schoongemaakt met contactspray konden ze weer in het plastic omhulsel worden gestoken, waarna het voetje klaar was voor gebruik. Het tellertjes heeft bijna twintig jaar regelmatig goede diensten bewezen.
Figure xx. Mijn EPROM wisser die ook al meer dan 25 jaar goede diensten bewijst
Klik hier voor meer foto’s, of hier voor de schema’s.
Een ander project waar ik nog steeds veel plezier aan beleef is mijn EPROM wisser. Al tijdens mijn middelbareschooltijd had mijn vader twee acht Watt UV buisjes van de SHELL meegenomen. Als ik een EPROM wilde wissen dan zette ik die voor een van de buisjes die in een oud metalen armatuur was geplaatst. Ik kon dan wel een half uurtje niet op mijn kamer komen, omdat het UV licht slecht was voor de ogen. In de EPROM wisser kunnen een aantal EPROMs tegelijk veilig worden gewist. Met een digitale timer kan de wistijd tussen 1 en 99 minuten worden ingesteld. Het hele project heb ik in de zomervakantie van 1984 gemaakt. Vooral het maken van het kastje was erg leuk. Het was een hele puzzzel om alles in het relatief kleine kastje te krijgen. Tussendoor waren er nog vele andere projecten zoals een schaakklok, een voeding en een kastje voor een HeNe laser die ik van Rene Debets had gekregen.
| to top of page | back to homepage |
De tweede helft van mijn studie was in heen hoop opzichten totaal verschillend van de eerste helft. In de eerste plaats zat ik veel beter “in mijn vel.” Ik was aan de studie en het leven in Eindhoven gewend geraakt en had er zo mijn routine in gekregen. Ik was afgevallen, had inmiddels een brommertje en een vast groepje vrienden wat gezelligheid gaf. Dat kon helaas niet van de situatie thuis worden gezegd.
Mijn vader is op 31 augustus 1983 op 56 jarige leeftijd (!) vervroegd met pensioen gegaan. In Pernis had hij aan de wieg gestaan van de gaschromatografie en heeft daar het nu algemeen gebruikte injectiestuk met rubber kapje uitgevonden. Maar sinds de verhuizing naar Moerdijk kon hij op het werk op het lab eigenlijk niet meer goed bijbenen. Zijn verantwoordelijkheden waren daardoor gereduceerd tot die van een soort amanuensis. Tijdens mijn middelbareschooltijd heb ik twee keer op SHELL Moerdijk vakantiewerk gedaan en ik kon dan zijn kamer bekijken. Die zag er net zo uit als zijn knutselkast thuis. Een enorme rommel, met tafels die vol lagen met bergen troep die eigenlijk zo de vuilnisbak in konden. Een van de belangrijkste taken van mijn vader was het bestellen van allerlei laboratorium benodigdheden. Hij heeft van die positie op schandalige wijze misbruik heeft gemaakt, overal lage stapels blocnotes, pennen, NiCd accu’s etc. Ik weet niet of dit met zijn vervroegde pensioen te maken heeft gehad, wat wel duidelijk was, was dat zijn functie overbodig was.
Toen mijn vader eenmaal thuis was zei hij letterlijk: ‘zo, nou heb ik mijn hele leven gewerkt en nou doe ik helemaal niks meer.’ Hij heeft zich aan zijn woord gehouden! Hij deed letterlijk niets in het huishouden en heeft volgens mij tot aan zijn dood zelfs geen koffie kunnen zetten. Het huwelijk van mijn vader en moeder was al niet goed, maar nadat mijn vader de hele dag thuis kwam te zitten escaleerde de situatie volledig. De sfeer was meestal om te snijden en mijn vader werd om de kleinste dingen boos. Nadat hij een keer ziek was geweest en beneden op de bank had geslapen, is hij nooit meer naar boven gegaan. Het is ongelofelijk, maar mijn vader heeft meer dan twintig jaar in de voorkamer op de bank geslapen. Mijn vader had een simpel maar uiterst effectief pressiemiddel, als er wat was, het deed er eigenlijk niet toe wat, dan verdween hij naar de voorkamer en ging hij met een kussen op zijn hoofd op de bank liggen. Ik begrijp nog steeds niet goed waar zijn onvrede vandaan kwam, het doet er ook niet zo toe, het heeft genoeg ellende en energie gekost. Het enige wat mijn vader eigenlijk nog deed en wat hij leuk vond, was er op uitgaan, winkelen in Zevenbergen of Breda. Door de totaal verziekte sfeer leefden we allemaal op onze eigen kamers. Mijn vader bewoonde de beneden verdieping, ik zat meestal op mijn eigen kamer en Ireen en mijn moeder zaten op het logeerkamertje, waar mijn moeder altijd aan het handwerken was.
Toen we nog in Rotterdam woonden hadden we al een hondje. Een dwerg poedeltje (Moppie) dat we van Oom George en Tante Wil hadden overgenomen omdat het te druk was voor Oom George. Enige jaren na de verhuizing naar moerdijk overleed Moppie. Moppie was geen allemansvriendje, maar was echt het hondje van mijn moeder. Toen ze overleden was, was dat dan ook een groot gemis voor haar. Al vrij snel kwam er dan ook een nieuw hondje, een puppy Fox Terriër die we Hummel noemde. We lieten haar vaak uit op het industrieterrein of op “het strandje,” en ze was op die manier een ideale aanleiding om de benauwende sfeer thuis te ontlopen. Helaas is Hummel een paar jaar nadat ik in Eindhoven was gaan studeren overleden aan een hersenbloeding. Het was een enorm verlies voor mijn moeder die er een kameraadje aan verloor.
Figure xx. Wandelen met Hummel op het strandje van Moerdijk om de benauwende
atmosfeer thuis te ontlopen (Za 3-okt-1987).
Klik hier voor meer foto’s.
Mijn vader ging steeds vreemder gedrag vertonen en de sfeer werd steeds slechter. Op het dieptepunt leek mijn vader wel bezeten. Hij werd letterlijk boos om alles. De sfeer was totaal verziekt. Het was zelfs zo erg dat mijn moeder en Ireen een paar weken hun toevlucht zochten in een vakantiehuisje in Zeeland waar hij hen zelf heen bracht. Ook gingen mijn moeder en Ireen in die tijd een aantal keer met zijn tweeën op een vliegvakantie (klik hier voor een brief uit Rhodos in 1986). Ik studeerde in die tijd veel op mijn kamer in Eindhoven en werd opgevreten door een ongerustheid over de situatie thuis. Omdat ik op mijn kamer natuurlijk geen telefoon had en ook niet in de huiskamer bij Warbroek wilde gaan zitten bellen liep ik dan, soms wel een aantal keer op een dag, naar de telefooncel op de hoogstraat om daar naar huis te bellen. Aan de stem van mijn moeder hoorde ik dan meestal al hoe de situatie thuis was. Ik heb nog een briefje van mijn vader die een keer in Eindhoven is langs geweest terwijl ik er niet was. Die vervelende situatie heeft naar mijn idee een aantal jaren geduurd. Op een zeker moment kreeg mijn moeder door hoe ze mijn vader moest aanpakken. Ze liet hem gewoon in zijn sop gaar koken. Als hij vroeger kwaad naar de voorkamer verdween gingen we altijd om het kwartier vragen hoe het met hem ging en ging mijn moeder hem een blad met zijn eten brengen. Toen mijn moeder met dat alles stopte was het met al die nonsens snel afgelopen! Hoe dan ook de hele affaire was voor mij toch aanleiding op een gegeven moment ook regelmatig eens een weekend in Eindhoven te blijven. Zo verschoof langzaam mijn leven naar Eindhoven.
Nadat ik een stuk was afgevallen, ben ik op een gegeven moment begonnen met hardlopen. Ik heb geen flauw idee hoe ik hier toe ben gekomen. Ik heb hardlopen nooit leuk gevonden, maar ben er op een of andere manier toch aan begonnen. Samen met mijn moeder heb ik een trainingspak en sportschoenen aangeschaft en wonder boven wonder werd het na enige tijd nog een soort verslaving ook! Na verloop van tijd ging ik iedere avond hardlopen en voelde ik mij onrustig als ik het eens een avondje oversloeg. Een keer in de week, ik meen woensdag avond, ging ik samen met Ronald Damstra hardlopen die op het Lodelijk Napoleon Plein woonden. We liepen dan samen een rondje: Willemstraat, kleine Berg, Hoogstraat, Karel de Grote laan en vervolgens nog een rondje door het park bij mijn kamer. Wat een beetje lastig was, was dat ik op mijn kamer geen douche of bad had. Ik waste me dus elke dag na het lopen van top tot teen aan mij n wasbak! Omdat ik ook geen warm water had, moest ik dan wel eerst in de snelkoker water koken. Het is achteraf ongelofelijk dat ik dat zo ruim tien jaar heb volgehouden, maar in die tijd vond ik het heel normaal. Ondanks dat ik dus vrij veel hardliep had dat niet tot gevolg dat ik daar echt goed in werd. Op mijn “hoogtepunt” heb ik één keer de rondweg van Eindhoven gelopen. Op een of andere manier heb ik hier gewoon niet de bouw voor.
Figure xx.
Op zich waren die weekenden in Eindhoven een verademing omdat ik zo niet in de gespannen sfeer thuis zat. Ik maakte het me gezellig, haalde iets lekkers in huis voor vrijdagavond (bijvoorbeeld een huzarensalade) dat ik dan lekker na het hardlopen voor de televisie oppeuzelde. Op zaterdag kookte ik meestal voor mijzelf, op één elektrisch kookplaatje. Dat was meestal zoiets als nasi of erwtensoep. Mijn moeder heeft op mijn verzoek daarvoor een aantal recepten uit getypt. Die recepten heb ik helaas niet meer maar wel het recepten voor bruine bonensoep en hachee die mijn moeder een paar jaar later voor mij heeft uitgeschreven. In het weekend werd er uitgeslapen, las ik de krant en ging ik Eindhoven in. Ook werd er veel geknutseld. Toch waren die weekenden best wel stil. Vrijwel al mijn vrienden gingen in het weekend naar huis, zodat ik alleen achterbleef. Nu wist vanuit de introdagen dat er een studentenkerk was. Volgens het introboek: “ging het daar heel anders aan toe als thuis.” In die tijd was het voor het eerst gaan naar zoiets als een studentenkerk voor mij een hele stap. De studentenkerk of ESK (Eindhovense Studenten Kerk) was een oecumenische gemeenschap met drie of vier studenten pastores die vanuit de achtergrond kerken en de TU werden gefinancierd. Het bleek dat er in de studentenkerk maar heel weinig studenten kwamen! Het overgrote deel van het publiek bestond uit wat oudere mensen die om de een of andere reden zich niet meer thuis voelden in hun eigen kerk. Alhoewel ik me er direct thuis voelde, bleek het voor mij toch heel moeilijk om met mensen in contact te komen. Er werd na de viering altijd uitbundig koffie gedronken, maar toch bleven de mensen veel in hun eigen groepjes hangen en kreeg ik maar moeilijk contact. Op een gegeven moment was er een oproep van Andre van Kempen, een van de studenten pastores, voor nieuwe mensen die aan de (dienst) voorbereidingsgroep wilden deelnemen. Dat leek me wel een leuke manier om in de ESK te integreren en in de loop van die week heb ik hem dan ook opgebeld om mij aan te melden. Er was een rooster waarin iedereen over een aantal vieringen door het jaar werd ingedeeld. Tijdens één of twee bijeenkomsten bij een van de pastores thuis werd er dan over de dienst gesproken en werden er liederen uitgekozen. Voor de eerste bijeenkomst vertelde Andre mij dat het handig was als ik over een liedbundel beschikte. Die kon ik afhalen bij de koster die in de Mathijsenlaan woonde. Toen ik daar aanbelde was hij niet thuis, maar er deed een leuk meisje van een jaar of veertien met krulletjes open die mij
De bundel gaf. Pas vele jaren later zou ik weten dat dat Marie-José was geweest. Via de voorbereidingsgroep raakte ik snel thuis in de ESK. Het gaf me op zondag een doel in de ochtend en een ander leven naast de studie in Eindhoven.
Figure xx.
Langzaam verplaatste ook het knutselen zich van Moerdijk naar Eindhoven. Dankzij de ESK computerclub en de Philips dump verzamelde ik ook op mijn kamer een flink voorraadje onderdelen. Ireen had in de tussentijd een tijdelijke baan gevonden bij de politie in Zevenbergen. Van daar uit kreeg ze een baan bij de fotodienst van de landelijke politie in Zeist. Dat was erg handig, want ze kon daar “heel goedkoop” zelf foto’s afdrukken! Het betekende wel dat ze rond 1984 naar Zeist verhuisde waar ze aanvankelijk bij een hospita op kamers ging wonen. Om de kamer wat aan te kleden kreeg ik het verzoek een mooie klok te maken. Dat werd een hele grote. Bij de ECA verkochten ze hele grote groenen LEDs. Daarmee was heel mooi een voor die tijd enorme klok te maken (Figuur xx). Het geheel bestond uit twee experimenteer printen die achter elkaar waren gemonteerd. De voorste print bevatte de LEDs, de achterste print de elektronica die geheel met standaard “HEFjes” was opgebouwd. Elektuur had dat jaar, of het jaar daarvoor in de jaarlijkse Halfgeleidergids een schakelingetje gepubliceerd rond een IC uit de UMxxxx serie, waarmee een speeldoosje of een muzikale deurbel kon worden gemaakt (die waren ooit heel populair.) Er waren verschillende versies die allemaal andere liedjes speelden en er was er zelfs een bij die het geluid van de uren van de Big Ben produceerde. Een bijzonder IC, maar gelukkig was “de Boer elektronica” in de Kruisstraat goed gesorteerd. De kast van de klok heb ik gemaakt van een deksel van een platenspeler die je op de Philips dump soms voor een gulden kon kopen. De klok doet het nog steeds prima, en als ik bedenk dat hij met niet veel meer dan een schrobzaagje en een handboormachientje (gekocht bij Kwantum) in elkaar is gezet dan vind ik het eigenlijk best een knappe prestatie.
Figure xx. De experimenteer + soldeerbout voeding / frequentie generator die ik speciaal heb gemaakt om op mijn kamer in Eindhoven ook wat te kunnen knutselen. Klik hier voor een foto van het binnenwerk.
Via de computerclub beschikte ik inmiddels op mijn kamer over een tweede “Weller” soldeerbout. Om ook op mijn kamer wat te kunnen experimenteren heb ik een soort experimenteer voeding gemaakt waarin behalve twee regelbare voedingen (gemaakt met standaard 78MGU en 79MGU regelaars) een frequentie generator (regelbaar of met kristal) en de trafo voor mijn Weller soldeerbout waren ondergebracht. Het was een van die heerlijke knutselprojecten waaraan niet te veel denktijd werd besteed. Het kastje heb ik natuurlijk in Moerdijk gemaakt en het binnenwerk werd in een paar avonden in Eindhoven in elkaar geflanst. Ik heb er heel veel plezier van gehad en ik gebruik het nog steeds.
Er was inmiddels sinds de bouw van mijn grote “Dekker Systems” microprocessor systeem nogal wat ontwikkelingen plaats gevonden. In de eerste plaats waren er veel grotere en zuiniger geheugens beschikbaar gekomen zoals de 6116 2kx8 statische CMOS RAM en de 2764 en 27128 EPROMs. Bovendien kon ik nu via de ECA makkelijk en heel goedkoop aan onderdelen komen. Op een of andere manier is hierdoor eind December 1984 het idee ontstaan voor een klein en handzaam BASIC programmeerbaar systeempje. Voor het toetsenbord gebruikte ik het “zelfbouw” toetsenbord dat ook voor het grote systeem had dienst gedaan. Voor het display had ik aanvankelijk een 16 karakters alfanumeriek fluorescentie display voor ogen dat ik bij de ECA had weten te bemachtigen. Nadat ik had uitgezocht hoe die displays werkten heb ik hiermee in de laatste weken van December 1984 een systeempje gebouwd dat uiteraard weer rond de SC/MP was geconfigureerd. Tot mijn grote teleurstelling heb ik dat niet aan de praat gekregen. Het blijft tot op de dag van vandaag een raadsel waarom het niet werkte. Na eindeloos prutsen heb ik toen een drastisch besluitgenomen en ben ik helemaal overnieuw begonnen, maar dan met LED displays als uitlezing.
Figure xx
Knutselen
Studenten kerk
Inmiddels had ik op mijn kamer ook een TV’tje. Eerst het kleine portable TV’tje van mijn vader en later een klein draagbaar zwartwit toestelletje. Omdat het thuis steeds minder leuk werd, bleef ik af en toe een weekend in Eindhoven. Ik ging ook steeds meer knutselspullen in Eindhoven verzamelen, zodat ik door de weeks en in de weekenden lekker wat kon prutsen. Toch voelde ik mij erg eenzaam. Alhoewel ik een vrienden clubje had waarvan niemand een vriendin had, voelde ik er niets voor om alleen oud te worden. Ik weet nog goed dat ik op een gegeven moment dacht dat ik geen zin had om tot mijn veertigste alleen op een kamer te blijven zitten knutselen. Het werd me steeds duidelijker dat er iets moest veranderen.
Figure xx. Zo heb ik jaren zitten leren nadat ik gestopt was met het volgen van colleges, in dit geval Halfgeleider bouwstenen I op 2 april 1988).
De Banjaard bij Kamperland, Noord Beverland 2007 – 2008 – 2009
Srtikt genomen heeft deze foto niets met deze pagina te maken behalve dan
dat grote gedeelten er van is geschreven tijdens een heerlijke vakantie hier.